Gedragscode politieke ambtsdragers 2022
Gedragscode politieke ambtsdragers 2022
De raad van de gemeente Oisterwijk,
gelezen het voorstel van het college d.d.
afdeling Advies, Ondersteuning en Veiligheid (AOV),
gelet op artikel 15, derde lid, artikel 41c, tweede lid, en artikel 69, tweede lid, van de Gemeentewet
de gedragscode politieke ambtsdragers gemeente Oisterwijk 2022 en het geactualiseerde stappenplan vast te stellen, onder gelijktijdige intrekking van de Gedragscode politieke ambtsdragers gemeente Oisterwijk 2016, vastgesteld op 7 juli 2016.
Het gemeentelijk bestuur van Oisterwijk dient het belang van haar inwoners. Een integer bestuur is noodzakelijk voor het vertrouwen van burgers in het gemeentebestuur. Daarnaast staat het handelen van raads- en collegeleden altijd in de publieke belangstelling. Wij hebben daarom een voorbeeldfunctie.
Wij staan midden in de samenleving en zijn daarmee verbonden. Verbinding met de samenleving is belangrijk. Daarin heeft iedereen een eigen netwerk. Tegelijk werken we voor de hele bevolking en gaan we over de besteding van publiek geld. Dit brengt dilemma’s met zich mee die raken aan integriteit.
Deze gedragscode biedt ons handvatten voor het omgaan met deze dilemma’s. Het is geen uitputtende regeling, die de gewenste route in alle voorkomende gevallen beschrijft. Daarvoor is de praktijk te ingewikkeld. Wel biedt het richting en steun voor de manier waarop de gemeenteraad en het college van Oisterwijk integriteit onderdeel maken van de manier waarop wij werken.
Bij integriteit gaat het over meer dan de juridische regels. Het gaat vooral over gedrag. Iedereen is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om integer te werk te gaan. Maar dit betekent niet dat integriteit alleen een persoonlijk onderwerp is. We hebben niet altijd in de hand hoe anderen te werk gaan. Wat we wel in de hand hebben, is het bespreken van integriteit.
Door steeds met elkaar te spreken over integriteit en de dilemma’s uit de dagelijkse praktijk, wordt het (zelf)bewustzijn aangescherpt. Ook wordt dan duidelijk wat integriteit in Oisterwijk betekent en vraagt. Dat maakt het vertrouwen van burgers in het openbaar bestuur sterker. In plaats van een lijst met regels, staan in deze gedragscode daarom alleen de uitgangspunten waar wij achter staan en waar we in gesprekken op kunnen terugvallen.
Wij werken volgens deze uitgangspunten en staan open voor een gesprek over hoe we werken. Dat neemt niet weg dat sommige situaties om een oordeel vragen. In dat geval oordelen wij niet zomaar, zonder te weten waar het overgaat, maar verzamelen eerst de informatie die we nodig hebben. Ook letten we er met elkaar op dat integriteit niet als een politiek middel wordt gebruikt.
In deze gedragscode werken we onze uitgangspunten in onderwerpen uit. De gedragscode richt zich zowel tot de individuele politieke ambtsdragers als tot de bestuursorganen van de gemeente Oisterwijk. Individuele politiek ambtsdragers zijn de leden van de gemeenteraad, de leden van het college, en de door raad benoemde algemene commissieleden. Als een onderdeel van de gedragscode alleen over raadsleden1 of over collegeleden gaat, dan staat dat erbij.
Twijfelen we over het gedrag van onszelf of van een collega? Dan bespreken raadsleden dit met de griffier of burgemeester. Collegeleden bespreken dit met de secretaris of burgemeester. Als het de burgemeester betreft, bespreken collegeleden dit met de locoburgemeester en raadsleden dit met de plaatsvervangend raadsvoorzitter. Met wie we het verder bespreken verschilt van geval tot geval. Soms is overleg met de griffier of burgemeester genoeg, terwijl we het bij andere situaties met meer mensen moeten bespreken. De griffier en burgemeester denken mee over de meest geschikte manier van bespreken.
Bij (een vermoeden van) het overtreden van deze gedragscode, melden wij dit bij de burgemeester. Als de melding over de burgemeester gaat, melden we het bij de plaatsvervangend raadsvoorzitter en de locoburgemeester. Ook inwoners, organisaties of ondernemers kunnen melding maken van (een vermoeden van) een integriteitsschending door een bestuurder. Hoe dat moet staat op onze gemeentelijke website. In deze gevallen neemt de griffier dan wel de gemeentesecretaris eerst contact op met de melder om de verdere aanpak te bespreken. We volgen daarbij de procedure zoals afgesproken in ons stappenplan onderzoek integriteitsschendingen politieke ambtsdragers gemeente Oisterwijk 2022.
Bij al ons handelen, weten wij wat de gevolgen van ons handelen zijn en hoe anderen daarnaar kijken.
Bij belangenverstrengeling is er een vermenging van het algemene gemeentelijke en een persoonlijk belang. Het persoonlijk belang kan bijvoorbeeld komen door een (neven)functie die de bestuurder heeft. Ook een belang van bijvoorbeeld vrienden, familie, bedrijven of organisaties waar bestuurders als privépersoon banden mee hebben, kan hun handelen veranderen. Een zuiver en objectief besluit of handeling komt dan in gevaar.
Belangenverstrengeling kan ook komen door een vraag vanuit de samenleving om zich voor een bepaalde zaak of probleem in te zetten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan belangen- of actiegroepen die een beroep op bestuurders als privépersoon doen. Naast het voorkomen van belangenverstrengeling, hebben bestuurders de taak om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen, als dat binnen het gebied ligt waarbinnen zij invloed hebben.
Als we belangen hebben bij een dossier, maken we deze bekend bij onze collega-bestuurders. Het voorkomen van (de schijn van) belangenverstrengeling, vraagt meer van ons dan het niet meestemmen over een onderwerp, zoals dat op dit moment in de Gemeentewet geregeld is. 2 Wij bewaren afstand tot een dossier, als er belangenverstrengeling is. Dit betekent dat we ook niet aan de beraadslaging over het dossier meedoen. Deze werkwijze is conform de voorgenomen wijziging van de Gemeentewet. In deze Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur3 wordt in plaats van het onthouden van stemming, voortaan gesproken van onthouden van beraadslaging en stemming in geval van persoonlijke betrokkenheid bij een onderwerp. De kern van het werk van raadsleden wordt immers niet alleen gevormd door de stemming aan het eind van het werk, maar juist ook door de daaraan voorafgaande beraadslagingen, bijvoorbeeld door het indienen van moties en amendementen of het stellen van vragen en het overleggen in commissieverband. Of een raadslid in geval van (schijn van) belangenverstrengeling ook niet aanwezig mag zijn bij de fractievergadering waarin een dossier wordt besproken, bepaalt de fractie zelf. Ook de burgemeester of een wethouder kan persoonlijk betrokken zijn bij een bepaald onderwerp dat in een collegevergadering of in ander verband aan de orde komt. Ook voor de burgemeester en een wethouder geldt dan dat hij of zij zich bij de bespreking van een dergelijk onderwerp onthoudt van beraadslaging en stemming daarover.
Om belangenverstrengeling te voorkomen, bewaren we afstand tot bepaalde onderwerpen of vragen. Dat doen we niet alleen in de rol van raads- of collegelid maar ook als privépersoon. Het uitgangspunt is dat het bij onze rol als bestuurders past om inwoners en organisaties de weg te wijzen en informatie te geven. Wij zijn echter terughoudend in het optreden als woordvoerder of vertegenwoordiger van deze inwoners en organisaties richting anderen. Dat betekent dus, dat we ook niet optreden als begeleider van inwoners of organisaties in gesprekken met de gemeente.
Als een raadslid in een bepaalde situatie twijfelt of er sprake is van belangenverstrengeling, is het altijd mogelijk om eerst laagdrempelig in gesprek te gaan met de griffie en / of de burgemeester sprake is van (de schijn van) belangenverstrengeling wordt dit vervolgend gemeld bij het presidium.
We staan midden in de samenleving. Dat geldt zeker voor raadsleden. Zij moeten hun raadswerk combineren met werk en privé activiteiten. Het uitvoeren van nevenfuncties hoort hierbij. Het uitvoeren van nevenfuncties zorgt namelijk ook voor een brede blik en draagt bij aan de kwaliteit van een raadslid.
Sommige nevenfuncties passen echter beter dan andere. Het uitgangspunt is dat onze nevenfuncties het belang van de gemeente niet mogen schaden of daarmee in strijd zijn.
Wanneer nevenfuncties raakvlakken hebben met de functie als bestuurder, beoordelen we of we beide functies kunnen uitvoeren. Dat doen we met de volgende voorwaarden:
- 1.
- 2.
- 3.
We letten erop dat nevenfuncties niet leiden tot situaties van (de schijn van) belangenverstrengeling of bevoordeling. De Gemeentewet verplicht raadsleden hun nevenfuncties openbaar te maken . Betaald werk geldt in dit geval ook als een nevenfunctie die gemeld moet worden. Ook vermeldt de Gemeentewet functies die in ieder geval onverenigbaar zijn met het raadslidmaatschap.
Raadsleden geven hun nevenfuncties daarvoor door aan de griffier. De griffier legt de nevenfuncties van raadsleden vast in een openbaar register. Raadsleden geven aan of het om een betaalde of onbetaalde functie gaat. Als er aanpassingen zijn, melden raadsleden dit direct bij de griffier. Zo is het register altijd actueel. Het register ligt voor een ieder ter inzage. Raadsleden maken waar nodig en mogelijk afspraken om een nevenfunctie en het raadswerk te kunnen combineren.
De gemeentesecretaris legt de nevenfuncties die collegeleden op persoonlijke titel verrichten en de nevenfuncties volgend uit het collegelidmaatschap vast in een openbaar register. Als er iets verandert, melden collegeleden dit bij de gemeentesecretaris zodat deze het register kan aanpassen. De Gemeentewet verplicht wethouders om wanneer zij een nevenfunctie willen accepteren, dit voornemen te melden aan het presidium. Als collegeleden voltijds zijn benoemd, maken zij de hoogte van een mogelijke vergoeding openbaar. Voor deeltijdwethouders is niet verplicht, zo volgt uit artikel 41b, vierde lid, van de Gemeentewet.
Collegeleden voeren (neven-)functies uit die een gevolg zijn van het collegelidmaatschap. Daarnaast voeren zij in principe geen nevenfuncties uit bij organisaties waarmee de gemeente een (financiële) samenwerkingsrelatie heeft. Of een functie waarbij je kunt verwachten dat het collegelid vanuit de nevenfunctie contact heeft met de gemeente.
Openbaarheid en transparantie zijn kernwaarden in het openbaar bestuur en belangrijk voor het goed werken van onze democratie. Onderwerpen behandelen we dan ook zo veel als kan in het openbaar. Wij moeten met grote zorgvuldigheid omgaan met de informatie die wij hebben. Informatie die we via het raads- en collegewerk krijgen, gebruiken we alleen voor doelen waarvoor die bedoeld is. Niet om persoonlijk of ander voordeel te krijgen.
Soms is het nodig om stukken of wat we in een vergadering hebben besproken geheim te houden. Hiervoor houden we ons aan de het wettelijk kader zoals neergelegd in de Gemeentewet en de Wet open overheid. Als we het niet eens zijn met de volgens dit wettelijk kader opgelegde geheimhouding, dan bespreken we dat in de raad en/of het college. Als we hebben besloten om stukken of wat we in een vergadering hebben besproken geheim te houden, houden we ons daaraan. In geen geval kiezen we ervoor zelf dit openbaar te maken of stukken te lekken. Dit is namelijk strafbaar op grond van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht.
Een respectvolle omgang met burgers en organisaties, tussen college- en raadsleden en met ambtenaren is erg belangrijk. Als het hieraan schort, beschadigt dat niet alleen de onderlinge relatie, maar ook de goede naam van het hele gemeentebestuur. Wij bespreken in Oisterwijk de inhoud, we spelen niet op de persoon. We praten met mensen, niet over mensen.
Gebruik voorzieningen en faciliteiten van de gemeente
Onder gemeentelijke voorzieningen en faciliteiten vallen alle spullen van de gemeente Oisterwijk waar raads- en collegeleden gebruik van kunnen maken. Denk aan het gebruik van de raadskamer, tablets of telefoons en de toegangsbadge.
De gemeentelijke voorzieningen en faciliteiten gebruiken we in de eerste plaats voor het doel waarvoor we ze hebben gekregen of voor mogen gebruiken. Gebruiken we een telefoon of tablet privé, dan zorgen wij ervoor dat we het zakelijk gebruik altijd mogelijk blijft. Het is logisch dat we voorzichtig en netjes met deze voorzieningen en faciliteiten omgaan. Wij hebben hierin in de eerste plaats een eigen taak. Hierop zijn we ook aanspreekbaar voor anderen.
Er zijn rechtspositionele regelingen voor bestuurders die het mogelijk maken dat wij soms gemaakte kosten terug kunnen vragen. Vanzelfsprekend houden we ons hierbij aan de regels. De kosten die we terugvragen worden gecontroleerd en krijgen we volgens de regels terugbetaald.
Uitnodigingen, geschenken en giften
Het aannemen van uitnodigingen, geschenken en giften hoort soms bij het normale omgangsverkeer. Of dat het geval is, hangt samen met functionaliteit, proportionaliteit en voor welk deel het aannemen daarvan zorgt voor verwachtingen die niet de bedoeling zijn.
Uitnodigingen nemen we alleen aan als deze een bepaald nut hebben voor de gemeente. Of als we hiermee het ambt van raads- of collegelid goed kunnen uitvoeren. Uitnodigingen die andere organisaties of personen betalen en buitenlandse reizen (vooral van niet-overheden) melden en bespreken we altijd. Raadsleden doen dit bij de griffier. Collegeleden bespreken dit in de collegevergadering en als dat nodig is voorafgegaan door overleg met de burgemeester. Als er buitenlandse dienstreizen zijn, dan betaalt de gemeente Oisterwijk deze zelf.
We krijgen soms geschenken en giften van andere organisaties of personen aangeboden. Of we deze kunnen aannemen hangt af van of de waarde ervan in verhouding staat tot de reden om het aan te bieden. Voor geschenken en giften met een geschatte waarde van (meer dan) €50,-- vinden we dat in ieder geval niet het geval. Dan geven we het geschenk terug of gaat het naar de gemeente. We nemen nooit geld aan en ontvangen op ons thuisadres geen giften en geschenken. Als dit per ongeluk toch gebeurt, dan melden raadsleden dit bij de griffier en collegeleden in het college. We melden bij de gever dat we niet blij zijn met het ontvangen van giften op het thuisadres.
De bedoeling van de gever en timing van de gift zijn belangrijke voorwaarden om uitnodigingen, geschenken en giften wel of niet aan te nemen. Bestuurders gaan daarom na wat het voordeel van de andere partij kan zijn, nu en in de toekomst. Een uitnodiging, geschenk of gift weigeren we als het een tegenprestatie is voor een positieve beslissing of het hier toe kan leiden. Ook als het aannemen ervan deze indruk kan wekken, weigeren we dit.
Aandacht voor integriteit en evaluatie
Om het integriteitsbewustzijn levend en scherp te houden, geven wij ieder jaar minimaal één keer samen aandacht aan integriteit in een workshop voor de raad- en commissieleden en collegeleden.
De waarde van de gedragscode ligt in het gebruik ervan door raads- en collegeleden. Het is daarom belangrijk dat deze geschikte en herkenbare handvatten biedt voor hoe wij in Oisterwijk willen omgaan met integriteit. Om te zorgen dat de gedragscode van waarde blijft, bekijkt een afvaardiging vanuit de raad, samen met de burgemeester en de griffier, iedere raadsperiode of de gedragscode aanpassing behoeft.
Integriteit is de verantwoordelijkheid van alle bestuurders. De burgemeester, de griffier en de gemeentesecretaris zijn echter het eerste aanspreekpunt, zij geven daartoe gevraagd en ongevraagd advies.
Is het in bijzondere situaties onduidelijk hoe wij volgens deze gedragscode te werk willen gaan?
Dan hebben we het hier met elkaar over en bepalen wij samen hoe wij hier mee omgaan.
Stappenplan onderzoek integriteitsschendingen politiek ambtsdragers gemeente Oisterwijk 2022
Gedragscodes zijn voor gemeenten verplicht op grond van de Gemeentewet. Politieke ambtsdragers zijn op de naleving van gedragscodes aanspreekbaar. In Oisterwijk kennen we de “gedragscode politieke ambtsdragers gemeente Oisterwijk 2022”. Wanneer politieke ambtsdragers zich niet aan deze code houden kan dat gevolgen hebben voor hun functioneren en positie. Het rechtskarakter van een gedragscode is dat van een interne regeling in aanvulling op de wettelijke regels. De Gemeentewet laat de gemeente ruimte bij de inhoudelijke invulling. Naast deze code bestaan er voorschriften die in wet of elders geregeld zijn, bijvoorbeeld over fraude, valsheid in geschrifte en over nevenfuncties. In het navolgende stappenplan staat aangegeven welke stappen moeten worden gezet wanneer integriteit mogelijk geschonden wordt of daarvan het sterke vermoeden bestaat. Het protocol kan worden beschouwd als een extra onderdeel van het integriteitsbeleid. Het biedt houvast en uniformiteit bij de aanpak van vermeende of daadwerkelijke schendingen na een melding of vermoeden.
- 1.1
Onder politieke ambtsdragers wordt verstaan: de burgemeester, de leden van het college, de raadsleden. Commissieleden /niet-zijnde raadsleden vallen strikt genomen niet onder deze definitie maar vallen ook onder de werking van dit protocol analoog aan de politieke ambtsdragers. Met commissieleden worden die burgers bedoeld die door de raad als zodanig zijn benoemd.
- 1.2
- 1.3
- 1.4
- 1.5
- 2.1
- 2.2
- 3.1
- 3.2
- 3.3
- 3.4
- 3.5
- 3.6
- 4.1
- 4.2
- 4.3
- 4.4
- 4.5
- 4.6
- 5.1
- 5.2
6. Kennisgeving aan betrokkene
7. Horen van betrokkenen en getuigen
- 7.1
- 7.2
- 7.3
- 7.4
- 7.5
- 8.1
- 8.2
- 9.1
- 9.2
- 10.1
- 10.2
- 10.3
- 10.4
- 10.5
- 10.6
11. Registratie integriteitsschendingen
- 11.1
- 11.2
Toelichting stappenplan integriteitsschendingen politieke ambtsdragers
In gevallen waarbij het feitenonderzoek duidelijk maakt dat een politieke ambtsdrager wat te verwijten valt, vindt bespreking plaats in de gemeenteraad. Voor commissieleden vindt bespreking plaats in het presidium en voor de leden van het college vindt bespreking plaats in het college. Voor de gemeentesecretaris en de griffier geldt het ambtelijk stappenplan.
In dit stappenplan wordt ervan uitgegaan dat de burgemeester verantwoordelijk is voor het behandelen van de melding van integriteitsschendingen door politieke ambtsdragers. De burgemeester kan door een melding, door eigen waarneming of door berichtgeving van buiten de organisatie kennis nemen van een vermeende integriteitsschending. In voorkomend geval zal hij dienen te beslissen of de bij hem bekend geworden informatie aanleiding is om:
- -
- -
- -
- -
Is sprake van een melding, waarneming of berichtgeving over een vermeende integriteitsschending door de burgemeester, dan treedt de plaatsvervangend voorzitter van de gemeenteraad in de plaats van de burgemeester bij alle te zetten stappen in het stappenplan.
Feiten en omstandigheden zoals die bekend worden aan de burgemeester zijn niet altijd aanleiding een feitenonderzoek in te stellen. Het starten van een feitenonderzoek heeft grote gevolgen voor zowel de betrokkene als de organisatie. Daarom is aanbevelenswaardig eerst een vooronderzoek te verrichten om het voorhanden zijnde feitenmateriaal te analyseren (de melder kan bijvoorbeeld worden gehoord) alvorens eventueel te besluiten tot een feitenonderzoek. Hiermee kan worden ondervangen, dat de melding gebaseerd blijkt te zijn op niet op waarheid gestoelde geruchten. De betrokken politieke ambtsdrager wordt door de burgemeester en de griffier, dan wel de gemeentesecretaris, in dit traject altijd ondervraagd. Wanneer het vooronderzoek hiertoe aanleiding geeft, kan in aansluiting hierop een feitenonderzoek worden ingesteld en/of aangifte worden gedaan. Ook kan worden besloten dat geen verder onderzoek noodzakelijk is.
Van het vooronderzoek wordt een rapport van bevindingen opgemaakt, indien de uitkomst rechtvaardigt dat een feitenonderzoek plaats zal vinden. In de overige gevallen wordt de uitkomst gemeld aan het presidium dan wel het college. Wanneer er wordt besloten geen feitenonderzoek te verrichten, zal dit standpunt door de burgemeester ook aan de eventuele melder moeten worden medegedeeld.
Als het vermoeden bestaat dat opzettelijk een valse beschuldiging heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld uit rancune), is het aangewezen dat de burgemeester hiertegen actie onderneemt. Dit kan eventueel leiden tot een feitenonderzoek jegens de melder. De uitkomst daarvan kan vervolgens leiden tot aangifte bij de politie.
In een feitenonderzoek wordt het waarheidsgehalte van signalen en/of vermoedens beoordeeld door na te gaan of deze op redelijke grond zijn gebaseerd.
Concreet betekent dit dat een onderzoek wordt ingesteld naar de handelwijze van betrokkene. Betrokkene en/of getuigen kunnen gehoord worden en eventueel andere onderzoeksmethoden (bijvoorbeeld: doorzoeken werkomgeving of observatie) kunnen worden aangewend om alle relevante feiten omtrent het vermoeden van de integriteitsschending in kaart te brengen.
De burgemeester kan besluiten naar aanleiding van de integriteitsschending een interne
onderzoekscommissie in te stellen. Een interne commissie bestaat uit minstens drie personen. Dat zijn de burgemeester en een vertegenwoordiger namens het presidium en de griffier als het gaat om raadsleden; de burgemeester, een wethouder en de gemeentesecretaris als het gaat om een wethouder. De commissie wordt ambtelijk ondersteund met een functionaris die deskundig is op het terrein van integriteitsvraagstukken.
De commissie kan een multidisciplinair team samenstellen waarin de benodigde kennis en expertise met het doen van feitenonderzoek aanwezig is. Hierbij kan worden gedacht aan juridische, financiële of ICT expertise van buiten de organisatie. Dit is ook zinvol in verband met de benodigde objectiviteit en onafhankelijkheid bij het doen van het feitenonderzoek.
Het instellen van een interne onderzoekscommissie zal niet altijd mogelijk of wenselijk zijn. Met name als geen voldoende en/of geschikte mensen hiervoor te vinden zijn of als de afstand tussen de interne onderzoekers en de betrokkene persoonlijk of zakelijk te klein is om een voldoende objectief onderzoek te garanderen. Dit kan immers leiden tot (politieke) spanningen en verstoorde verhoudingen in de toekomst.
De burgemeester kan daarom in overleg met het presidium c.q. het college kiezen voor een externe onderzoekscommissie. Het laten verrichten van het onderzoek door een externe partij (zoals een forensisch accountant of een particulier recherchebureau) is een manier om voldoende onderzoekscapaciteit, kennis en expertise te verkrijgen. Wel moet rekening worden gehouden met de consequenties die de commerciële achtergrond van een externe partij met zich meebrengt. Procedures omtrent de wijze van onderzoek door een externe partij kunnen op sommige punten afwijken van relevante regelgeving binnen de overheid. Een forensische accountant doet bijvoorbeeld geen onderzoek, wanneer de betrokkene niet mee wenst te werken.
Het besluit wie het onderzoek naar de integriteitsschending zal uitvoeren, is afhankelijk van de aard van de integriteitsschending, de benodigde onafhankelijkheid, de benodigde objectiviteit en aanwezige kennis en expertise. Afhankelijk van deze factoren kan het feitenonderzoek worden uitgevoerd door een interne commissie, een externe commissie of een externe partij (bijvoorbeeld: een forensisch accountant of een particulier recherchebureau).
Een onderzoek, waarbij ook een lid van de gemeenteraad wordt ingeschakeld is minder wenselijk vanwege de mogelijk optredende politieke partijbelangen.
In de opdrachtverstrekking met een externe partij dient aandacht te worden besteed aan de lengte en intensiteit van het onderzoek. Gedurende het proces dient dit te worden gecontroleerd en zo nodig worden bijgestuurd. Aandachtspunt hierbij is dat voor veel organisaties met weinig ervaring op het gebied van feitenonderzoek het moeilijk is in te schatten hoe lang een onderzoek zal duren en hoeveel menskracht hiervoor nodig is. Dit bemoeilijkt het maken van concrete afspraken tussen opdrachtgever en de externe partij. Een externe partij heeft minder zicht op de interne verhoudingen en ontwikkelingen binnen een organisatie. Voordeel van het inhuren van een externe partij is dat wellicht minder druk kan worden uitgeoefend op de onderzoeker.
De burgemeester komt schriftelijk een onderzoeksopdracht met de gekozen onderzoekers overeen. De opdrachtverstrekking bevat ten minste de volgende punten.
- a.
- b.
- c.
- d.
De opdracht of de reikwijdte van het onderzoek kan wanneer noodzakelijk worden uitgebreid. Gedurende het onderzoek kan het voorkomen dat de integriteitsschending omvangrijker of complexer is dan vooraf kon worden ingeschat. In voorkomend geval zal steeds in overleg met de opdrachtgever moeten worden besloten over een eventuele uitbreiding van het onderzoek (bijvoorbeeld capaciteit, gebruikmaking bevoegdheden, meer mensen horen enz.). Een eventuele uitbreiding van het onderzoek wordt schriftelijk vastgelegd.
De burgemeester dient op adequate wijze te reageren op een vermoeden van een integriteitsschending. Dit betekent, dat hij de verantwoordelijkheid heeft daadkrachtig een feitenonderzoek op te pakken. Zonder afbreuk te doen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek dient het feitenonderzoek dan ook binnen afzienbare tijd te zijn gedaan.
Wanneer het onderzoek wordt verricht door een externe partij zijn er enkele aanvullende aandachtspunten. Vastgesteld zal moeten worden van welke bevoegdheden de externe partij gebruik kan maken. Ook moet worden overeengekomen dat binnen de grenzen van het door de gemeente Oisterwijk opgestelde stappenplan zal worden gewerkt. Het is tevens verstandig vast te stellen hoe lang het onderzoek mag duren en hoeveel onderzoekscapaciteit passend is om in te zetten.
6. Kennisgeving aan betrokkene
Voordat het feitenonderzoek kan worden gestart, zal de betrokken politieke ambtsdrager schriftelijk in kennis moeten worden gesteld over het feit dat er een feitenonderzoek naar zijn gedragingen wordt ingesteld.
Daarnaast kan het wenselijk zijn dat deze mededeling hem tevens mondeling wordt gedaan. Dit kan op het moment dat de burgemeester de schriftelijke kennisgeving in persoon uitreikt. Niet in alle gevallen zal het wenselijk zijn dat betrokkene onmiddellijk wordt geïnformeerd. Wanneer het onderzoeksbelang dit meebrengt, kan de schriftelijke kennisgeving worden opgeschort. De kennisgeving aan betrokkene dat een feitenonderzoek naar hem wordt ingesteld, bevat de volgende onderwerpen.
- a.
- b.
- c.
Het onderzoek dient zorgvuldig plaats te vinden. Dit houdt in dat alle belangen (de belangen van betrokkene, het belang van het onderzoek, het belang van de organisatie en de belangen van getuigen) worden gewogen. Zorgvuldig onderzoek heeft dan betrekking op de vraag hoe belangen dienen te worden afgewogen.
Er dient zodanig rekening te worden gehouden met de persoonlijke belangen van betrokkene dat zo min mogelijk inbreuk wordt gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer.
Zorgvuldigheid heeft evenzeer betrekking op het feit dat achteraf verantwoording moet kunnen worden afgelegd over alle beslissingen en (onderzoeks)handelingen voorafgaand aan en gedurende het onderzoek.
Teneinde dit mogelijk te maken, dienen de burgemeester en de onderzoekers hun beslissingen en handelingen behoorlijk te documenteren.
Sterk samenhangend met zorgvuldigheid is het uitgangspunt dat onderzoekers zich dienen te onthouden van onoorbare handelingen. Op verschillende plaatsen wordt dit punt in dit stappenplan nader uitgewerkt. Zo komt in de paragraaf over ‘het horen van betrokkene’ aan de orde dat onderzoekers zich dienen te onthouden van fysieke druk en het misleiden van betrokkene.
7. Horen van betrokkene en getuigen
Gedurende het feitenonderzoek kan betrokkene worden gehoord. Het horen dient op zorgvuldige wijze te geschieden. Dit houdt in dat de betrokkene voor het gesprek dient te worden geïnformeerd over de aard en mogelijke duur van het gesprek. Betrokkene kan zich tijdens het gesprek laten bijstaan door een raadsman.
Ook dienen onderzoekers zich voor, tijdens en na het gesprek te onthouden van enige vorm van druk of dwang. Dit houdt verband met het feit dat betrokkene in vrijheid zijn verklaring moet kunnen afleggen. Dat betrokkene door middel van het afleggen van verklaringen medewerking moet verlenen aan het feitenonderzoek, is niet in enig voorschrift neergelegd. Wel mag van een politieke ambtsdrager, aan wiens integriteit extra hoge eisen mogen worden gesteld, worden verwacht dat hij openheid van zaken geeft in een situatie waarin gerechtvaardigde twijfel is gerezen aan zijn integriteit. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te bevorderen en te zorgen dat het gesprek als bewijs kan worden geaccepteerd, is het noodzakelijk gesprekken in koppels van twee onderzoekers te voeren. Van het gesprek wordt door de onderzoekers verslag gemaakt.
Onderzoekers kunnen zowel mensen van binnen de organisatie als van buiten de organisatie als getuige horen. De getuigen werkzaam binnen de organisatie, zijn verplicht mee te werken aan het feitenonderzoek. De medewerking houdt in dat de getuige verplicht is informatie te verschaffen ten behoeve van het onderzoek. De informatie die de getuige verstrekt, dient op waarheid te berusten. Voor het gesprek plaatsvindt, dienen de politieke ambtsdrager en de getuigen op de hoogte te worden gesteld van de aard en de mogelijke duur van het gesprek. Daarnaast dient hen te worden meegedeeld dat zij zich kunnen laten bijstaan door een raadsman. Het collectief horen van getuigen is geen betrouwbare methode voor het verkrijgen van objectieve informatie. Door de onderzoekers wordt van het gesprek een verslag gemaakt. Duidelijk moet zijn wie wat heeft verklaard, hetgeen impliceert dat verklaringen moeten zijn voorzien van de naam van de getuige en diens
handtekening respectievelijk een datum. Het anoniem afleggen van een verklaring is niet ten principale verboden, doch een dergelijke verklaring is alleen toelaatbaar in combinatie met ander, verifieerbaar bewijsmateriaal, en alleen indien het handhaven van de anonimiteit op zeer zwaarwegende gronden noodzakelijk is. Aan anonieme verklaringen wordt over het algemeen slechts aanvullende bewijskracht toegekend. Het feitencomplex mag niet enkel bestaan uit een anoniem afgelegde verklaring. Tijdens het feitenonderzoek zal van de verschillende onderzoekshandelingen verslag moeten worden opgemaakt. Een goede verslaglegging is een solide schriftelijke basis, waarmee de burgemeester en de onderzoekers zich een oordeel kunnen vormen over de vermoedelijke integriteitsschending.
Het onderzoek dient voor alle partijen inzichtelijk te zijn en de rechtmatigheid en de kwaliteit van het onderzoek moet kunnen worden getoetst. Een adequate verslaglegging maakt inzichtelijk in hoeverre overeenstemming of verschil van mening bestaat tussen de verschillende partijen omtrent de toedracht, feiten en omstandigheden met betrekking tot het vermoeden van de integriteitsschending.
Aandachtspunten verslaglegging
a. Verslaglegging van de gesprekken
Van de gesprekken met de betrokkene(n) en de getuigen dient door de onderzoekers verslag te worden opgemaakt. Het interview dient met twee personen te worden afgenomen. Het verslag dient een zo getrouw mogelijke weergave te zijn van hetgeen tijdens het gesprek aan de orde is geweest. Hierna kan het verslag worden voorgelegd aan de betrokkene/de getuige(n).
Willen de verslagen voldoende bewijskracht hebben, dienen deze door degene die aan het gesprek hebben deelgenomen te worden ondertekend. Dit betekent dat het verslag moet worden ondertekend door zowel onderzoekers als degenen die zijn geïnterviewd (betrokkene en getuige(n)). De ondertekening houdt in dat op elke pagina van het gespreksverslag een paraaf gezet wordt. Hierbij dient de mogelijkheid aan betrokkene(n) of getuige(n) te worden geboden commentaar te geven op de gespreksverslag. Weigert een betrokkene het gespreksverslag te ondertekenen, dan wordt daarvan door de onderzoekers in het verslag, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Het verslag wordt aan het dossier toegevoegd. Er kan worden gekozen om aanstonds een verslag op te maken en dit onmiddellijk na het beëindigen van het gesprek te laten ondertekenen. Groot voordeel van een dergelijke werkwijze is dat het praktisch is, in die zin dat het wellicht minder aanleiding zal geven tot discussies over de tekst van het verslag. Er kan ook worden gekozen het verslag op een later moment (doch wel zo spoedig mogelijk, dat wil zeggen binnen enkele werkdagen) op te maken en ter ondertekening aan betrokkene/getuige(n) op te sturen.
Betrokkene/getuige(n) worden hiermee in de gelegenheid gesteld te reageren op het verslag. Er dient hierbij een termijn (5 werkdagen) te worden gesteld om het verslag terug te sturen met schriftelijke opmerkingen. In het geval dat onderzoekers en de betrokkene/getuige(n) het niet eens kunnen worden over de tekst van het verslag kan een rapport aan het verslag worden toegevoegd, waarin de afwijkende opinie van betrokkene/getuige(n) wordt opgenomen.
Als de inschatting is dat er vermoedelijk een misdrijf heeft plaatsgevonden, dient aangifte te worden gedaan. De onderzoekers plegen hiertoe overleg met de burgemeester, die vervolgens na overleg met het presidium of het college de beschikbare gegevens aan de politie voorlegt, eventueel na overleg met de Officier van Justitie. Alle op dat moment bekende informatie wordt aan de politie ter beschikking gesteld. Let op, de aangifte kan al plaatsvinden na de vooronderzoekfase.
In dit stappenplan zijn verschillende momenten genoemd, wanneer communicatie plaatsvindt tussen de burgemeester (of onderzoekers) en de betrokkene. Deze momenten zijn onder meer:
- -
- -
- -
- -
- -
Naast bovengenoemde contactmomenten kan er behoefte zijn aan verdere informatie-uitwisseling. Betrokkene zal informatie willen hebben omtrent de gang van zaken tijdens het onderzoek en de voortgang van het onderzoek. Dit kan conflicteren met het onderzoeksbelang. Voorstelbaar is dat het voor de bewijsvergaring niet bevorderlijk is om alle informatie lopende het onderzoek aan betrokkene te verstrekken.
De burgemeester en de onderzoekers zullen zorgvuldig moeten omgaan met het verstrekken van informatie. Daarom wordt de communicatie vanuit één kanaal verstrekt, te weten de burgemeester.
Informatieverschaffing aan college en raad is belangrijk. In de eerste plaats om ongewenste geruchtenvorming tegen te gaan en in de tweede plaats om als gemeente te laten zien dat wordt opgetreden tegen (vermeende) integriteitsschendingen. Het spreekt vanzelf dat de communicatie zorgvuldig dient te geschieden. Er zal rekening moeten worden gehouden met de verschillende belangen. Belangen die moeten worden afgewogen, zijn onder meer de persoonlijke levenssfeer van betrokkene, het onderzoeksbelang, het voorkomen van onrust binnen de organisatie en het openbaar of besloten behandelen van de uitkomsten van het onderzoek. Deze informatie wordt vanuit één kanaal verstrekt, te weten de burgemeester.
De burgemeester zal zich bewust moeten zijn van de rol die de media kunnen spelen tijdens een feitenonderzoek. Hij dient met ondersteuning van de afdeling communicatie in overleg met het presidium, het college, de griffier of de directie op een verantwoorde manier informatie te verstrekken.
De aard van de integriteitsschending en het onderzoeksbelang spelen hierbij een rol. De burgemeester staat voor de taak een balans te vinden tussen enerzijds het belang van het onderzoek en het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene en anderzijds het belang van transparantie en het voorkomen dat het idee ontstaat dat de zaak ‘in de doofpot’ verdwijnt. Er kan en mag niet te krampachtig worden omgegaan met het verstrekken van informatie. Wel moet er voor worden gewaakt het onderzoek te frustreren door het voorbarig naar buiten brengen van informatie. Onnodige beschadiging van personen moet worden voorkomen. Informatieverstrekking aan de media dient plaats te vinden via één kanaal, te weten het team communicatie. Kortom, komt er een vraag van de media, dan gelden de volgende gedragsregels:
- -
- -
- -
- -
- -
De onderzoeksfase eindigt met het aanbieden van het onderzoeksrapport aan de burgemeester. Dit rapport behoort alle informatie te bevatten die voor de burgemeester nodig is om zich een oordeel te kunnen vormen over het vermoeden van integriteitsschending. Ook betrokkene zal zich een oordeel moeten kunnen vormen over het onderzoek en eventueel het onderzoek op zijn rechtmatigheid moeten kunnen (laten) toetsen. Hiervoor is een deugdelijke rapportage nodig.
In de rapportage dienen de volgende aspecten in ieder geval aan de orde komen:
- -
- -
- -
- -
Geen aanbevelingen omtrent het beoordelen van het feitencomplex in het rapport
Het is de taak van de burgemeester om op basis van de onderzoeksgegevens een oordeel te vormen over de feiten en omstandigheden met betrekking tot de integriteitsschending.
De onderzoekers dienen zich te onthouden van het geven van een opvatting over welke consequenties zouden moeten worden verbonden aan de door hen onderzochte feiten. Het is de taak van de onderzoekers om het feitencomplex objectief vast te stellen. Door het spanningsveld tussen objectief (descriptief) onderzoek en het vormen van een (normatief) oordeel moeten deze taken gescheiden worden gehouden.
Aanbieding rapport aan de burgemeester
Nadat de inhoud van het rapport is vastgesteld door de onderzoekers, kan het worden aangeboden aan de burgemeester. Hij zal primair moeten bezien of de vastgestelde feiten in het rapport al dan niet aanleiding geven tot het kwalificeren van de feiten als ongewenst handelen. Hij zal vervolgens aan het college, de raad of het seniorenconvent ter overweging moeten voorleggen of het onderzoeksrapport aanleiding geeft maatregelen te formuleren.
Op basis van de Gedragscode integriteit politieke ambtsdragers gemeente Oisterwijk kan alles wat strafrechtelijk niet aan de kaak kan worden gesteld, in de openbaarheid als hoogst bedenkelijk worden aangemerkt. Men kan elkaar daarop aanspreken en er een oordeel over hebben.
Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan worden besloten:
- a.
- b.
- c.