Beleidsregels Rechtmatigheid PW, IOAW/IOAZ en Bbz gemeente Oisterwijk 2026

donderdag 19 maart 2026
Type bekendmaking: beleidsregel



Beleidsregels Rechtmatigheid PW, IOAW/IOAZ en Bbz gemeente Oisterwijk 2026

Het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk;

 

gelet op:

  • Titel 4.3. van Algemene wet bestuursrecht;

  • De Participatiewet.

overwegende dat:

het wenselijk is beleidsregels vast te stellen met betrekking tot rechten en plichten verbonden aan het ontvangen van een bijstands-, IAOW/IOAZ of Bbz-uitkering,

 

besluit vast te stellen de Beleidsregels Rechtmatigheid PW, IOAW/IOAZ en Bbz gemeente Oisterwijk 2026

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de PW, IOAW, IAOZ 2026 en Bbz 2024.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Uitkering: een uitkering voor levensonderhoud o.g.v. de PW, IOAW of IAOZ.

    • b.

      Commerciële kamerbewoner: een persoon die een kamer huurt op commerciële basis, en die niet is een bloedverwant in de eerste of tweede graad van de hoofdbewoner. Van huren op commerciële basis is sprake als de woonsituatie voldoet aan het volgende:

      • -

        er is sprake van huur op contractbasis; en

      • -

        er is sprake van een commerciële relatie wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële huurprijs; en

      • -

        het te huren deel van de woning is al dan niet samen met gemeenschappelijke ruimtes geschikt voor zelfstandige bewoning; en

      • -

        de kamerbewoner staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres.

    • c.

      Commerciële kostganger: een persoon die op commerciële basis inwoont, en die niet is een bloedverwant in de eerste en tweede graad en tevens bij de verhuurder de maaltijden gebruikt. De woonsituatie moet voldoen aan het volgende:

      • -

        er is sprake van een vergoeding op contractbasis; en

      • -

        er is sprake van een commerciële relatie, wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële prijs; en

      • -

        de woning is geschikt voor inwoning en er is toestemming verleend door de eigenaar van het pand; en

      • -

        de kostganger staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres.

    • d.

      Commerciële prijs: hiervan is sprake als de huur, exclusief onder andere servicekosten, of vergoeding hoger is dan de basishuur zoals gebruikt bij de huurtoeslag;

    • e.

      Co-ouderschap: de verdeling van zorg- en opvoedtaken van een minderjarig kind/kinderen. Beide ouders nemen een gelijkwaardig deel van de verzorging en opvoeding van hun kinderen voor hun rekening.

    • f.

      Gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in de wet.

    • g.

      Gift: een onverplichte betaling van geld of een op geld waardeerba(a)r(e) goed of dienst uit vrijgevigheid door een natuurlijke persoon of instelling;

    • h.

      Hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van een woning en die in dezelfde woning hoofdverblijf heeft;

    • i.

      Jongere in een kwetsbare positie: persoon jonger dan 27 jaar zoals opgenomen in artikel 41 lid 4 van de wet aangevuld met de jongere die:

      • -

        Bekend is of ondersteund wordt door erkende maatschappelijke zorgorganisaties; of

      • -

        Studietoeslag op grond van artikel 36 lid b PW ontvangt of ontvangen heeft.

    • j.

      Kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de wet.

    • k.

      Mantelzorg: van mantelzorg is sprake als iemand vanwege een aantoonbare zorgbehoefte, zoals opgenomen onder s van dit artikel, gedurende 10 uur of meer per week onbetaalde ondersteuning biedt aan een hulpbehoevende, waarbij deze zorgbehoefte direct voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en die de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in kader van het hulpverlenend beroep;

    • l.

      Terugwerkende kracht: een uitkering wordt toegekend per datum aanvraag, tenzij er redenen zijn om de uitkering eerder in te laten gaan wegens bijzondere of individuele omstandigheden, dan kan mogelijk de uitkering eerder in gaan;

    • m.

      Vermogen: het totaal aan bezittingen minus schulden en vrijlatingen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet;

    • n.

      Vermogensvrijlatingsgrens: het bedrag aan vermogen dat buiten beschouwing blijft volgens artikel 34 lid 3 van de wet;

    • o.

      Woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip;

    • p.

      Woonkosten:

      • -

        als sprake is van een huurwoning: de op de aanvraagdatum van het lopende huurtoeslagtijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag inclusief servicekosten;

      • -

        als sprake van bewoning van een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten. Onder zakelijke lasten wordt verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsaandeel van de onroerende zaakbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering, en het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten;

      • -

        Indien een woonwagen of een woonschip wordt bewoond: kosten als bedoeld onder i of ii alsmede stageld, liggend of roerende zaakbelasting, in ieder geval niet zijnde energiekosten.

    • q.

      Woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in woonruimte waarin de belanghebbende woont, zoals energiekosten, water et cetera.

    • r.

      Zorgbehoefte: van een zorgbehoefte zoals bedoelde onder l in dit artikel is sprake als degene die verzorging nodig heeft door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychische stoornis:

      • -

        In aanmerking komt voor opname in een WLZ-instelling en hiermee en WLZ-indicatie kan overleggen; en

      • -

        Duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; of

      • -

        Duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.

Artikel 2: Verkorte aanvraag

  • 1.

    Wanneer iemand na het eindigen van de uitkering binnen 12 maanden een nieuwe aanvraag doet, dan gebruikt het college de gegevens die reeds bekend zijn in verband met de eerdere bijstandsverlening.

  • 2.

    Belanghebbende verklaart door middel van het aanvraagformulier bij een dergelijke nieuwe aanvraag of de volgende gegevens nog hetzelfde zijn als op het einde van zijn of haar uitkering:

    • a.

      Hoofdverblijf;

    • b.

      Gezinssituatie.

  • 3.

    Belanghebbende verklaart door middel van het aanvraagformulier bij een dergelijke nieuwe aanvraag dat zijn of haar inkomen en vermogen niet boven de voor hem of haar geldende grens is uitgekomen.

  • 4.

    Het college kan bij redelijke twijfel de gegevens uit lid 2 en 3 verifiëren, hier is in ieder geval reden toe wanneer belanghebbende tijdens vorige uitkeringsperiode de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17 van de wet geschonden heeft.

Artikel 3: Terugwerkende kracht

  • 1.

    Voor wat betreft de ingangsdatum van zowel de algemene bijstand, als de uitkering op grond van de IOAW of IOAZ hanteert het college de hoofdregel, zoals neergelegd in artikel 44, eerste lid, PW, respectievelijk artikel 16a, eerste lid, IOAW of IOAZ.

  • 2.

    Bij het toekennen van algemene bijstand, dan wel een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ is afwijking van het bepaalde in het eerste lid slechts mogelijk als de belanghebbende de te late melding vanwege de bijzondere omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten of als de individuele omstandigheden dusdanig van aard zijn dat terugwerkende kracht noodzakelijk is om bestaanszekerheid te borgen.

  • 3.

    Bepalend voor de duur van de terugwerkende kracht, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel is het moment dat het recht op uitkering ontstond, maar kan tot maximaal drie maanden terug voor datum aanvraag.

  • 4.

    Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat er over de periode van de terugwerkende kracht al recht op uitkering bestond en ook het bestaan van bijzondere dan wel individuele omstandigheden die de te late melding verklaren.

  • 5.

    Het college bepaalt of de bijzondere dan wel individuele omstandigheden van dusdanige aard zijn dat het noodzakelijk is om de uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen.

Artikel 4: Zoektermijn jongeren

  • 1.

    Voor een jongere tot 27 jaar, niet zijnde kwetsbaar zoals gedefinieerd in artikel 41 lid 4 van de wet en artikel 1 lid 2 sub j van deze beleidsregels, die zich heeft gemeld voor een uitkering, geldt de eerste vier weken wettelijk de inspanningsverplichting om:

    • a.

      zijn of haar mogelijkheden tot het terugkeren naar school te onderzoeken en zich voor een opleiding aan te melden, of, de mogelijkheden met betrekking tot arbeid te onderzoeken en te solliciteren naar algemeen geaccepteerde arbeid; en

    • b.

      gebruik te maken van de dienstverlening van het Jongerenpunt Midden-Brabant.

  • 2.

    De inspanningsverplichting als genoemd in het eerste lid is niet van toepassing als er zwaarwegende redenen bestaan in de individuele situatie van de jongere, die ertoe leiden dat de jongere niet in staat kan worden geacht aan de inspanningsverplichting te voldoen. In dat geval wordt de jongere direct in de gelegenheid gesteld om een aanvraag in te dienen.

Artikel 5: Bewijsstukken

  • 1.

    Een belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor het overleggen van zijn of haar gegevens.

  • 2.

    Wanneer deze gegevens niet meer in het bezit zijn, moet de belanghebbende zorgen voor vervangende exemplaren.

  • 3.

    Als een belanghebbende geen vervangende exemplaren kan overleggen, beoordeelt het college of dat verwijtbaar is.

  • 4.

    Als het niet kunnen overleggen van gegevens niet verwijtbaar is, beoordeelt het college de aanvraag aan de hand van de wel aanwezige gegevens.

  • 5.

    In het kader van de Wet eenmalige uitvraag werk en inkomen vraagt het college geen gegevens bij de belanghebbenden op, die ook vanuit de eigen systemen actueel inzichtelijk zijn.

  • 6.

    Belanghebbende is op grond van artikel 17 van de wet wel gehouden de gegevens zoals bedoeld in het vijfde lid, uit eigen beweging te verstrekken.

Artikel 6: Bankafschriften

  • 1.

    Bij onderzoeken naar het recht op uitkering vraagt het college in beginsel bankafschriften op over de laatste drie maanden.

  • 2.

    Het is mogelijk om afschriften op te vragen over een langere periode wanneer daartoe aanleiding bestaat.

Artikel 7: Vermogen

  • 1.

    De gemeente beoordeelt het recht op uitkering op basis van het daadwerkelijke vermogen van de aanvrager. Hierbij houdt de gemeente alleen rekening met direct opeisbare schulden.

  • 2.

    Alleen het vermogen boven de vermogensvrijlatingsgrens zoals opgenomen in artikel 34 lid 3 van de wet wordt in aanmerking genomen.

  • 3.

    Bij twijfel of onduidelijkheid over het vermogen of bij aanwijzingen dat het vermogen boven de vrijlatingsgrens uitkomt wordt nader onderzoek ingesteld.

Artikel 8: Vaststelling van het vermogen

  • 1.

    Bij de bepaling van het vermogen zoals bepaald in artikel 34 PW laat het college auto’s en motoren, aanhangers en caravan en brom- en snorfietsen, scooters en brommobielen die ouder zijn dan 9 jaar buiten beschouwing, tenzij het een auto of motor betreft met een bijzondere dagwaarde;

  • 2.

    Bij het bepalen van de waarde van auto’s en motoren, aanhangers en caravans en brom- en snorfietsen, scooters en brommobielen, jonger dan 9 jaar of die met een bijzondere dagwaarde, hanteren we de dagwaarde (waarde bij verkoop particulieren) van de koerslijst ANWB. Tevens wordt een werkinstructie “Lijst met bijzondere automerken” aangewend om vast te stellen of het een bijzondere dagwaarde betreft. Deze lijst is niet uitputtend;

  • 3.

    Bij twijfel over de dagwaarde van een vervoersmiddel kan een onafhankelijke taxateur worden ingeschakeld;

  • 4.

    Bij auto’s en motoren die tot het vermogen worden gerekend, hanteren we een vrijlating van €3.000,00 in totaal. Indien belanghebbende(n) meer dan één vervoersmiddel (auto of motor) op zijn/hun naam heeft/hebben staan of ter beschikking heeft/hebben, geldt voor de overige vervoersmiddelen niet de vrijlating van €3.000,00. De vrijlating van €3.000,00 geldt voor maximaal één vervoermiddel;

  • 5.

    Volledige waarde van een uitvaartverzekering wordt niet meegenomen, ook niet wanneer deze afkoopbaar is. Wanneer belanghebbende beschikt over meerdere uitvaartverzekeringen, wordt de volledige afkoopwaarde van één verzekering wel meegenomen bij vaststelling van het vermogen. De afkoopwaarde van de hoogste opgespaarde uitvaartverzekering wordt niet meegenomen bij de eerste vaststelling van het vermogen;

  • 6.

    Bij co-ouderschap wordt de vermogensgrens bepaald door het gemiddelde te nemen van de vermogensgrens voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder (artikel 34 lid 3 PW).

Artikel 9: Cryptomunten

  • 1.

    Als een belanghebbende cryptomunten (zoals bitcoin) bezit, dan zijn dit bezittingen zoals bedoeld in artikel 34 lid 1, onderdeel a PW. De cryptomunten dienen dan toegerekend te worden aan het vermogen van de belanghebbende.

  • 2.

    Als een belanghebbende handelt in cryptomunten en dit heeft een structureel karakter, dan moeten de inkomsten uit deze handel worden aangemerkt als inkomsten zoals bedoeld in artikel 32 PW. Handel in cryptomunten is structureel wanneer inkomsten uit handel in cryptomunten een periodiek karakter hebben, of wanneer deze worden aangewend om te voorzien in kosten voor levensonderhoud.

  • 3.

    Om de waarde van de cryptomunten vast te stellen moet de belanghebbende inzage geven in het online transactieoverzicht van zijn cryptomunten, zoals een bitcoin wallet.

  • 4.

    Onder de waarde van cryptomunten moet worden verstaan de actuele waarde van de desbetreffende munt op het einde van de voorgaande maand.

Artikel 10: Informatieverstrekking tijdens de uitkering

  • 1.

    De belanghebbende dient informatie die relevant kan zijn voor het recht op uitkering te verstrekken uiterlijk na 5 werkdagen waarop het relevante feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan.

  • 2.

    De belanghebbende verstrekt de informatie via het wijzigingsformulier.

  • 3.

    De belanghebbende verstrekt gegevens over zijn inkomsten door het inleveren van een inkomstenformulier, inclusief een bewijsstuk van de hoogte van de inkomsten, zoals een loonstrook of een uitkeringsspecificatie.

Artikel 11: Giften

  • 1.

    Alle eenmalige en periodieke giften zowel in geld als in natura worden niet tot de middelen gerekend, voor zover deze:

    • a.

      de vrijlatingsgrens, zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onder m, van de wet, niet overschrijden;

    • b.

      de vrijlatingsgrens overschrijden en naar het oordeel van het college, in het licht van bijstandsverlening, verantwoord zijn.

  • 2.

    Het ontvangen van giften tot een bedrag zoals opgenomen in artikel 31 lid 2 onder m per kalenderjaar valt niet onder de inlichtingenplicht. Wanneer het bedrag zoals benoemd in artikel 31 lid 2 onder m wordt overstegen valt dit wel onder de inlichtingenplicht.

  • 3.

    De wettelijke vrijlating geldt per uitkering, niet per uitkeringsgerechtigde.

  • 4.

    De vrijlatingsgrens wordt per kalenderjaar vastgesteld en geldt voor het gehele kalenderjaar, ongeacht de ingangsdatum van de bijstandsverlening. De restant vrijlatingsbedrag kan na afloop van het kalenderjaar niet meegenomen worden naar het volgende jaar.

  • 5.

    Ingeval de gift in natura is verstrekt, bepaalt het college de waarde in geld.

  • 6.

    In het geval van giften geldt in ieder geval de volgende werkwijze:

    • a.

      Giften met een periodiek karakter worden boven de giftenvrijlating in aanmerking genomen als inkomen. Giften hoger dan de wettelijke grens met een eenmalig karakter worden voor het meerdere in aanmerking genomen als vermogen;

    • b.

      Als de gift een voorwerp is, wordt de waarde van dit voorwerp door het college in geld bepaald. Als de waarde hoger is dan de wettelijke grens, dan wordt het meerdere opgeteld bij het vermogen;

    • c.

      Giften in natura verstrekt door een charitatieve instelling zoals het noodfonds Charitas of de Voedselbank worden niet tot de middelen gerekend;

    • d.

      Als een bonus wordt ontvangen van de werkgever dan telt deze mee als gift wanneer de bonus eenmalig als beloning voor een bijzondere prestatie is toegekend.

Artikel 12: Schadevergoeding

  • 1.

    De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet tot de middelen gerekend.

  • 2.

    Een schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen en toegerekend aan de periode waarop de vergoeding ziet.

  • 3.

    Een schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor immateriële schade die valt onder de uitzonderingen van artikel 31 lid 2 sub l wordt niet tot het vermogen gerekend.

  • 4.

    Immateriële schadevergoedingen, die niet vallen onder de bepaling zoals opgenomen in lid 3 van dit artikel worden vrijgelaten tot een bedrag ter hoogte van het vrij te laten vermogen. Als een immateriële schadevergoeding dit bedrag overschrijdt, dan beoordelen we of de individuele omstandigheden aanleiding geven om het meerdere geheel of gedeeltelijk vrij te laten als vergoeding die niet tot de middelen behoort. We volgen hiervoor de meest recente jurisprudentie.

Artikel 13: Criteria voor het verlagen van de norm

  • 1.

    De bepalingen gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. De verlaging van de uitkering in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 PW bedraagt:

    • a.

      10% van de gehuwdennorm, als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten of geen woonlasten verschuldigd is;

    • b.

      20% van de gehuwdennorm als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonlasten en geen woonkosten verschuldigd;

    • c.

      20% van de gehuwdennorm indien de belanghebbende dakloos is en geen woning aanhoudt.

  • 2.

    Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op belanghebbenden waarop de kostendelersnorm van toepassing.

Artikel 14: Inkomsten uit commerciële verhuur en commercieel kostgangerschap

  • 1.

    De bepalingen gelden alleen voor belanghebbende hoofdbewoners van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd die een uitkering ontvangen. Als de hoofdbewoner de woning deelt met inwonende commerciële kamerbewoner(s) of kostganger(s) dan brengt het college het te ontvangen huurbedrag en/of kostgeld, minus de gemiste huurtoeslag als inkomen in mindering op de uitkering.

  • 2.

    Belanghebbende toont in het eerste lid van dit artikel genoemde aan door de volgende gegevens in te leveren:

    • a.

      Een huurovereenkomst of kostgangersovereenkomst; en

    • b.

      Bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de huurder of kostganger de gevraagde prijs daadwerkelijk betaalt; en

    • c.

      Een beschikking huurtoeslag.

Artikel 15: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm of norm echtpaar

  • 1.

    Wanneer een hoofdbewoner met een uitkering iemand tijdelijk onderdak biedt vanwege een acute noodzaak tot huisvesting, ter voorkoming van dakloosheid dan wordt de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner tijdelijk buiten toepassing gelaten.

  • 2.

    Wanneer een mantelzorger vanwege een intensieve zorgbehoefte tijdelijk inwoont bij een naaste, dan kan de kostendelersnorm of norm echtpaar voor de mantelzorger ook tijdelijk buiten toepassing gelaten worden.

  • 3.

    De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 en 2 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd.

  • 4.

    Verlenging van de termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 3, is in gevallen zoals bedoeld in lid 1 afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om eigen woonruimte te vinden.

  • 5.

    Het is niet mogelijk om de kostendelersnorm buiten beschouwing te laten bij permanente inwoning.

  • 6.

    De kostendelersnorm wordt in beginsel ook niet buiten beschouwing gelaten als iemand, na tijdelijk verblijf in een instelling dan wel detentie, terugkeert op het adres waar deze persoon hiervoor woonachtig was.

Artikel 16: Recht op jongerentoeslag

  • 1.

    Het is aannemelijk dat een jongere voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders als deze:

    • a.

      Aantoonbaar niet thuis kan wonen bij de ouder(s); en

    • b.

      Geen beroep kan doen op diens onderhoudsrecht jegens de ouders omdat de middelen van de ouders ontoereikend zijn of het beroep hierop wegens veiligheid niet mogelijk is; of

    • c.

      Als de ouders overleden zijn of niet bereikbaar in het buitenland zijn.

  • 2.

    De aanvullende norm kan verhoogd worden op grond van artikel 18 lid 1 van de wet als sprake is van individueel noodzakelijk hogere algemene kosten van bestaan dan waarin de samengestelde normen op grond van artikel 20 van de wet voorzien.

  • 3.

    De totale uitkering voor jongeren kan nooit hoger zijn dan de norm voor 21 jaar en ouder of het wettelijk minimum jeugdloon dat geldt voor de betreffende jongere.

Artikel 17: Bevordering naleving en bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik

Hoe het college invulling geeft aan zijn bevoegdheid met betrekking tot het bevorderen van de naleving en het bestrijden van opzettelijk misbruik en oneigenlijk gebruik, staat beschreven in de bijlage ‘Handhaving in balans: Beoordelingskader en instrumenten’. Deze bijlage maakt integraal onderdeel uit van deze beleidsregels.

Artikel 18: Overgangsrecht

Lopende onderzoeken en aanvragen van voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover het college pas na de ingangsdatum van deze beleidsregels een besluit neemt, handelt het college af op basis van het meest gunstige beleid voor de belanghebbende. Dit kan zowel het nieuwe als het oude beleid zijn.

Artikel 19: Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 20: Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels Rechtmatigheid PW, IOAW/IOAZ en Bbz gemeente Oisterwijk 2026’.

Artikel 21: Inwerkingtreding en intrekking oude beleidsregels

  • 1.

    Deze beleidsregels treden op de dag na bekendmaking in werking en werken terug tot 1 januari 2026.

  • 2.

    Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de Beleidsregels rechtmatigheid PW, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Oisterwijk 2024 en artikel 18 van Beleidsregels bijzondere bijstand 2025 gemeente Oisterwijk ingetrokken.

Aldus vastgesteld op 10 maart 2026.

Het college van burgemeesters en wethouders van Oisterwijk,

Secretaris,

Judith Koppers - van der Krabben

de burgemeester,

Hans Janssen

Toelichting  

In 2025 zijn de beleidsregels m.b.t. de rechtmatigheid van de Participatiewet vastgesteld. Hierin zijn de regels zijn opgenomen over de rechten en plichten die verbonden zijn aan de bijstandsuitkering. Waar gesproken wordt over een bijstandsuitkering of bijstand gaat het ook over de IOAW en IOAZ. Vanwege de invoering van de Participatiewet in balans (verder Pwet in balans), spoor 1, fase 1 moeten de beleidsregels aangepast worden. Deze aanpassingen zijn verwerkt in deze nieuwe set beleidsregels die ingaan met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026.

 

Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.

 

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

Deze omschrijvingen spreken in principe voor zich. Relevant is een toelichting op de definitie van mantelzorg. Deze wijkt voor het recht op c.q. de hoogte van de bijstand enigszins af van die voor andere gemeentelijke regelingen. Dit komt omdat voor de uitkering normaliter wordt gekeken naar het aantal medebewoners van een woning, omdat daar woonkosten en -lasten mee gedeeld kunnen worden. Om het opvangen van mensen vanwege een zorgbehoefte tijdelijk mogelijk te maken, heeft de wetgever in de Pwet in balans beoogd mantelzorg zonder verlaging van de uitkering mogelijk te maken. Dit bepaalt mede de definitie, dat er sprake moet zijn van een zorgbehoefte én de zorgbehoefte is de directe en aantoonbare aanleiding voor het samenwonen, én het moet gaan om tijdelijk inwonen. Dus als iemand permanent voor een inwonende partner of kind zorgt, dan is dit wel mantelzorg, maar niet voor de toepassing van de kostendelersnorm of de norm gehuwden. In de beleidsregels re-integratie zal de definitie van mantelzorg anders zijn dan in deze beleidsregels, vanwege bovengenoemde reden.

 

Artikel 2: Verkorte aanvraag

De wetgever wil gemeenten ruimte geven om gebruik te maken van reeds bij de gemeente bekende gegevens als iemand eerder een uitkering bij dezelfde gemeente heeft ontvangen. De wetgever noemt hierbij een maximale termijn van twaalf maanden. Dit nemen we over in de gemeente Oisterwijk door middel van het inbouwen van een zogenaamde garantieknop, waarbij wanneer belanghebbenden verklaren dat hun gegevens nog kloppen ze doorgestuurd worden naar een verkort aanvraagformulier. Hierbij willen we wel ruimte laten aan de inkomensconsulenten om de gegevens te verifiëren wanneer zij twijfelen of de gegevens nog accuraat zijn, dit is in ieder geval mogelijk wanneer de belanghebbende in de vorige bijstandsperiode de inlichtingenplicht zoals deze volgt uit de wet heeft overtreden.

 

Artikel 3: Terugwerkende kracht

De wetgever heeft nog steeds als hoofdregel vastgelegd dat de bijstandsuitkering ingaat per datum aanvraag (art. 44 lid 1 Pw). Nieuw is de aanvulling in lid 5 van dit artikel, waarbij gemeenten de ruimte krijgen om bijstand eerder dan datum aanvraag (met terugwerkende kracht) in te laten gaan indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken. Hierbij wordt wettelijk deze mogelijkheid van terugwerkende kracht beperkt tot drie maanden voor datum aanvraag.

 

Hierbij maken we een onderscheid tussen bijzondere omstandigheden en individuele omstandigheden:

 

  • Bijzondere omstandigheden: Hiervan is sprake als de te late melding de inwoner niet verweten kan worden, veelal ligt de oorzaak buiten de invloedsfeer van de inwoner. Denk hierbij aan een ziekenhuisopname, te late afwijzing van een andere uitkeringsaanvraag etc. Deze opsomming is niet limitatief. Hiermee wordt voorkomen dat mensen onterecht worden uitgesloten van ondersteuning, en wordt uitvoering gegeven aan de menselijke maat en maatwerk-beginselen.

  • Individuele omstandigheden: Met het inzetten van terugwerkende kracht bij individuele omstandigheden beoogd het college dat de belanghebbende niet onnodig schulden maakt of opbouwt. Er is aandacht voor de persoonlijke situatie van de belanghebbende, waarbij zowel de oorzaken als de gevolgen van de te late melding worden meegewogen.

Let op: voor alle situaties geldt het volgende:

  • Mede bepalend voor de duur van de terugwerkende kracht is wanneer het recht op bijstand ontstond.

  • De belanghebbende moet aantonen dat in de betreffende periode recht op bijstand bestond en de noodzaak en/of omstandigheden voor de te late melding verklaren.

  • Het college bepaalt of de bijzondere omstandigheden van dusdanige aard zijn om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen.

Het is belangrijk om de termijn van de terugwerkende kracht beperkt te houden, in principe tot de wettelijke maximale drie maanden. En ook om alert te zijn bij terugwerkende kracht als deze het kalenderjaar overschrijdt. Dit heeft te maken met het fiscale jaar inkomen wat hoger wordt en waardoor mensen mogelijk toeslagen moeten terugbetalen.

 

Artikel 4: Zoektermijn jongeren

Gemeenten krijgen wettelijk de ruimte om de zoektermijn (eerste vier weken na melding voor een uitkering) voor kwetsbare jongeren niet toe te passen. In de wet (art. 41 lid 4 Pw) staat opgenomen wie wettelijk aangemerkt worden als kwetsbaar. Dit vullen we in deze beleidsregels aan met de volgende groepen jongeren:

  • Die bekend zijn of ondersteund worden door erkende maatschappelijke (zorg)organisaties (lees: bekend bij de Toegang); of

  • studietoeslag op grond van artikel 36b Pw ontvangt of ontvangen hebben

De tweede groep met studietoeslag die kennen we zelf vanuit de Pw, de andere groep is veelal bekend bij onze partners in de Toegang, maar daarmee niet automatisch bij teams Werk en Ontwikkeling of Inkomen. We moeten dit dus navragen bij de jongeren, mogen niet zelf in die systemen kijken.

 

Deze opsomming is niet limitatief. Er blijft ruimte voor maatwerk bij het beoordelen of een jongere aan de zoektermijn kan voldoen. Deze is immers bedoeld als stimulans voor de jongeren die dit kunnen om verder te studeren of om een baan te accepteren.

 

Artikel 5: Bewijsstukken

Artikel 53a PW geeft het college de bevoegdheid te bepalen welke gegevens en bewijsstukken door een belanghebbende verstrekt moeten worden, als het gaat om het bepalen van het recht op en de voortzetting van de bijstand.

Op voorhand is niet aan te geven welke gegevens nodig zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van een uitkering. Dit is afhankelijk van de situatie en de omstandigheden van de belanghebbende (maatwerk). Individueel wordt bepaald welke nadere gegevens noodzakelijk nodig zijn en belanghebbende wordt daarover in ieder geval schriftelijk geïnformeerd. Bij de aanvraag van een uitkering geldt wel een vast aantal gegevens die gevraagd worden, omdat dit veelal de minimale gegevens betreffen die nodig zijn om een beslissing te kunnen nemen op de uitkeringsaanvraag.

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van wat van een belanghebbende wordt verwacht als nadere gegevens/bewijsstukken worden opgevraagd.

Als gegevens uit onze eigen systemen kunnen worden gehaald, worden ze ook niet ook nog bij belanghebbende opgevraagd.

 

Artikel 6: Bankafschriften

Bij een rechtmatigheidsonderzoek moet belanghebbende een aantal afschriften, of een uitdraai van internetbankieren, verstrekken van rekeningen die bij hem/haar in gebruik zijn of waren. Het gaat hier om afschriften over de laatste 3 maanden voor de datum van het onderzoek. Wanneer het voor onderzoek nodig is om afschriften over een periode van langer dan 3 maanden te beoordelen, worden over de benodigde langere periode afschriften opgevraagd.

 

Artikel 7: Vermogen

Bij het vaststellen van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de aanwezige bezittingen verminderd met de aanwezige schulden, zoals bedoeld in artikel 34 Pw. Dit is niet gewijzigd.

Wel is de zogenaamde ‘staffelmethode’ afgeschaft, welke inhield dat de gemeente bij de aanvang van de uitkering het vermogen op dat moment vaststelde met daarnaast het maximaal ‘vrij te laten vermogen’, d.w.z. de ruimte tussen het wettelijk maximaal vermogen en het daadwerkelijke vermogen.

Met de nieuwe regeling, moet bij ieder onderzoek uitgegaan worden van het op dat moment aanwezig vermogen. Vermogensaanwas hoeven inwoners in principe niet meer te melden, tenzij ze hiermee boven het wettelijk vrij te laten vermogen uitkomen.

Als mensen vermogen ontvangen dat hoger is dan de wettelijke maximale grens, en ze hebben niet direct opeisbare schulden, dan is het in beginsel niet de bedoeling dat ze deze schulden aflossen. Ze moeten de vermogensaanwas doorgeven en de gemeente onderzoekt of het verantwoord is om eerst de schulden af te lossen of dat ze van het vermogen kunnen leven, totdat het ingeteerd is tot aan de wettelijke vermogensgrens. Hiermee voorkomen we dat er indirect bijstand voor schulden wordt verstrekt.

 

Artikel 8: Vaststelling van het vermogen

Artikel 34a, lid 2, onder a, van de Participatiewet geeft aan dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen de bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, dan wel, gelet op omstandigheden van de persoon en gezin, noodzakelijk zijn.

Het college geeft in dit artikel op de volgende onderdelen een nadere invulling:

  • Vrijlating van vermogen op een auto of motor: als belanghebbenden beschikken over (een) auto(‘s) of motor(en), wordt de waarde van één vervoersmiddel tot een bedrag van €3.000,00 in totaal buiten beschouwing gelaten. Indien de belanghebbende(n) meer dan één vervoermiddel (auto of motor) op zijn/hun naam heeft/hebben staan of ter beschikking heeft/hebben, geldt voor de overige vervoersmiddelen niet de vrijlating van €3.000,00. Ook auto’s en motoren van ouder dan 9 jaar worden buiten beschouwing gelaten. Uitzondering op laatstgenoemde regel zijn auto’s/motoren met een bijzondere dagwaarde. De waarde van auto’s/motoren jonger dan 9 jaar of die met een bijzondere dagwaarde. Tevens kan een werkinstructie “Lijst met bijzondere automerken” worden aangewend.

  • Vrijlating van vermogen in een uitvaartverzekering: In een uitvaartverzekering gereserveerde bedragen voor een uitvaart worden volledig buiten beschouwing gelaten bij de vermogensvaststelling, ongeacht de waarde van de uitvaartverzekering. Dit geldt ook voor uitvaartverzekeringen die afkoopbaar zijn. Wanneer belanghebbende over meerdere uitvaartverzekeringen beschikt, wordt de afkoopwaarde van één uitvaartverzekering wel meegenomen. De afkoopwaarde van de hoogste opgespaarde uitvaartverzekering wordt niet meegenomen bij de eerste vaststelling van het vermogen.

Co-ouderschap

Verder wordt in dit artikel aangegeven hoe om moet worden gegaan met vermogensvaststelling bij co-ouderschap. Het co-ouderschap is geen wettelijke gedefinieerde leefvorm, maar geeft een feitelijk situatie weer. Co-ouderschap hebben wij gedefinieerd als de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van een minderjarig kind/kinderen. Beide ouders nemen een gelijkwaardig deel van de verzorging en opvoeding van hun kinderen voor hun rekening. Niet van belang is welke ouder de kinderbijslag ontvangt. Er is geen sprake van co-ouderschap als het kind of de kinderen incidenteel en voor een korte periode bij de andere ouder verblijven (bijvoorbeeld voor vakantie). Ook als de verdeling van het ouderschap zodanig is dat deze niet afwijkt van een gebruikelijke omgangsregeling, is er geen sprake van co-ouderschap.

 

Een co-ouder heeft per definitie niet de volledige, maar slechts de gedeeltelijke zorg voor de tot zijn last komende kinderen. Daarom kan een co-ouder niet worden aangemerkt als alleenstaande ouder. Omdat de co-ouder de zorg heeft voor kinderen, valt hij echter evenmin onder de definitie van een alleenstaande. Voor de hoogte van de uitkering maakt het niet uit of iemand alleenstaande of alleenstaande ouder (zonder kostendelende medebewoners) is. De bijstandsnorm is gelijk. Voor de hoogte van de vrijlating van het vermogen maakt dit wel uit. De vermogensgrens voor een alleenstaande ouder is hoger dan de vermogensgrens voor een alleenstaande. Gelet hierop hanteert het college bij het vaststellen van de vermogensgrens bij co-ouders de volgende regel: de vermogensgrens wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de vermogensgrens voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder. Let op: dit geldt voor de vermogensgrens. Bij het daadwerkelijk vermogen wordt geen gemiddelde genomen, hier telt het in zijn geheel mee. Het daadwerkelijke vermogen wordt dan afgezet tot de gemiddelde vermogensgrens zoals uitgelegd hierboven. Tot het daadwerkelijk vermogen behoort ook het saldo op de rekening van minderjarige kinderen.

 

Artikel 9: Cryptomunten

Cryptomunten, zoals bitcoin, zijn een virtuele munten en vertegenwoordigen een bepaalde waarde. Cryptomunten kunnen aangemerkt worden als bezittingen, en vallen in dit geval onder artikel 34, lid 1, onderdeel a. Handelt de belanghebbende in cryptomunten, dan moeten de inkomsten uit cryptomunten worden aangemerkt als inkomen en in mindering worden gebracht op de uitkering. Onder handel in cryptomunten wordt verstaan het meer dan incidenteel verrichten van activiteiten daarin wat leidt tot periodiek inkomen, of inkomen wat wordt aangewend om in levensonderhoud te voorzien.

Aan de hand van het transactieoverzicht van de cryptomunten en de bankafschriften van belanghebbende, kan worden vastgesteld of sprake is van handel in cryptomunten. Deze gegevens kunnen op grond van de inlichtingenplicht bij belanghebbende worden opgevraagd en belanghebbende is verplicht deze gegevens te verstrekken.

De waarde van cryptomunten, zoals bitcoin, fluctueert sterk. Daarom dient de waarde van de cryptomunt op het einde van de voorgaande maand te worden aangehouden bij vaststelling van het vermogen en het inkomen.

 

Artikel 10: Informatieverstrekking tijdens de uitkering

In de Participatiewet (artikel 17 lid 1) en de IOAW/IOAZ (artikel 1, lid 1) staat de inlichtingenplicht: ‘de plicht van belanghebbende om op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het college mag het begrip ‘onverwijld uit eigen beweging’ zo hanteren dat kan worden volstaan met het van belanghebbende verwachten dat hij betreffende informatie meldt op de eerstvolgende inkomstenverklaring.

In Oisterwijk ontvangen enkel belanghebbenden met inkomsten een inkomstenverklaring die zij in moeten vullen. Belanghebbenden die de inkomstenverklaring niet ontvangen, moeten belangrijke wijzigingen die van invloed zijn op de uitkering doorgeven met een wijzigingsformulier. Dit wijzigingsformulier kan zowel digitaal als schriftelijk worden ingevuld en ingeleverd.

In dit artikel is geregeld welke termijn het college hanteert voor het inleveren van het wijzigingsformulier. Om iedereen gelijk te behandelen krijgen alle belanghebbenden 5 dagen de tijd om de wijziging door te geven, dan wel tot het moment dat de inkomstenverklaring ingeleverd moet zijn. Dit geldt dus voor iedereen, ook voor de mensen die geen inkomstenverklaring ontvangen. Zo hebben zij eventueel gelegenheid om het college van belangrijke wijzigingen op de hoogte te stellen.

Als iemand opzettelijk wijzigingen niet of te laat doorgeeft, dan kan een bestuurlijke boete worden opgelegd.

 

Artikel 11: Giften

Het college vindt het belangrijk dat bijstandsgerechtigden financiële hulp kunnen accepteren zonder dat zij bang hoeven te zijn dat dit negatieve gevolgen voor hun uitkering heeft. Deze hulp moet dan vanuit het oogpunt van bijstandsverlening wel verantwoord zijn. Het college vindt giften tot een bedrag van €1200 per jaar verantwoord.

Met ingang van 1 januari 2026 is de grens wettelijk vastgesteld in artikel 31 lid 2 onder m van de wet. Gemeenten mogen individueel nog wel giften vrijlaten tot een hoger bedrag, maar dan alleen als dit naar het oordeel van het college verantwoord is in het licht van bijstandsverlening. Dit is veelal het geval als het gaat om giften in natura of geld voor goederen waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt of gevraagd zou kunnen worden. De beoordeling hiervan is altijd maatwerk.

De wetgever heeft ook bepaald dat giften tot de wettelijke grens niet meer onder de inlichtingenplicht vallen. Dit betekent dat inwoners zelf bij moeten gaan houden of ze giften in een kalenderjaar bij elkaar opgeteld onder deze grens hebben gekregen.

 

Het is niet zo dat de wettelijke grens per persoon geldt, als er meer mensen binnen één uitkeringsnorm vallen (b.v. echtpaar met ten laste komende kinderen, daarvoor geldt ook 1x de giftengrens).

 

In geval van giften in natura, bepaalt het college wat daarvan de waarde in geld is aan de hand van de door belanghebbende overlegde bewijsstukken met betrekking tot de waarde.

 

Werkgevers kunnen hun medewerkers een cadeau geven. Vaak is dit een kerstpakket of –geschenk. Als dit een geschenk is dat past binnen de fiscale vrijlating dan wordt hier niets mee gedaan. Als een werknemer eenmalig een bonus ontvangt omdat deze een extra prestatie heeft geleverd, dan wordt deze meegeteld als gift (en niet als inkomen gekort) tot aan de giftengrens. Als de bonus hoger is dan de giftengrens dan wordt het meerdere als inkomen aangemerkt, het gaat hierbij immers om een middel in verband met arbeid.

 

Artikel 12: Schadevergoeding

Het college mag bepalen welke bedragen aan vergoeding voor materiële en immateriële schade vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn en derhalve niet meetellen als vermogen bij de vermogensvaststelling (vermogensvrijlating). Het college maakt hierbij onderscheid tussen vergoedingen voor materiële en immateriële schade.

 

Een materiële schadevergoeding gaat het om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat belanghebbende al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kunnen reeds gemaakt kosten zijn of kosten die nog gemaakt moeten worden. Wanneer een belanghebbende een materiële schadevergoeding ontvangt, is deze dus bestemd om iets te vervangen of te repareren. Daarom wordt een dergelijke schadevergoeding niet als vermogenstoename aangemerkt en hoeft het vermogen in het kader van de Participatiewet niet gewijzigd te worden.

 

Bij immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor gederfde levensvreugde. Deze vergoeding is bedoeld voor geleden emotionele schade, waarvan de hoogte door een rechter of schadeverzekeraar is bepaald. Het college heeft bepaald dat een immateriële schadevergoeding tot de maximale vermogensgrens voor echtparen/alleenstaande ouders, (art. 34 lid 3 onder b en c Pw) ongeachte de leefvorm niet als vermogen wordt aangemerkt en dus ook geen gevolgen voor de vermogensvaststelling in het kader van de Pw heeft. Overschrijdt de immateriële schadevergoeding dit bedrag, dan wordt een maatwerkbeoordeling gedaan.

Een schadevergoeding met een loon dervend karakter wordt wel aangemerkt als inkomen voor de periode waarop deze schadevergoeding betrekking heeft.

 

Artikel 13: Criteria voor het verlagen van de norm

Artikel 27 van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid de norm als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Participatiewet lager vast te stellen als gevolg van de woonsituatie van de belanghebbende, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.

Van deze bevoegdheid maakt het college gebruik door bij een belanghebbende die geen woonkosten en/of woonlast heeft de uitkeringsnorm te verlagen.

In de begripsomschrijvingen in artikel 1 is omschreven wat onder woonkosten en woonlasten wordt verstaan. Bewoont de belanghebbende een woning waarvoor geen woonkosten of woonlasten verschuldigd zijn, dan verlaagt het college de uitkering met 10% van de gehuwdennorm. Bewoont een belanghebbende een woning waarvoor geen woonkosten én geen woonlasten zijn verschuldigd, dan verlaagt het college de uitkering met 20% van de gehuwdennorm. Dit laatste geldt ook voor belanghebbenden die dakloos zijn en geen woning aanhouden.

 

Artikel 14: Inkomsten uit commerciële huur verhuur en commercieel kostgangerschap

In de Participatiewet is het uitgangspunt dat wanneer kosten gedeeld kunnen worden met kostendelende medebewoners ouder dan 27 jaar, de bijstandsnorm daarop wordt aangepast (kostendelersnorm). De kostendelersnorm is niet van toepassing als er sprake is van commerciële verhuur of commercieel kostgangerschap. De inkomsten die daaruit voortvloeien moeten als inkomsten worden gekort op de bijstandsuitkering.

Er is sprake van commerciële verhuur/commercieel kostgangerschap als er sprake is van een commerciële relatie. Hiervan is sprake als het een volledig zakelijke relatie betreft. Hierbij vraagt de verhuurder/kostgever een commerciële prijs en de huurder/kostganger betaalt deze commerciële prijs. Deze prijs en andere belangrijke verplichtingen van de huurder en verhuurder zijn vastgelegd in een huur-/kostgangersovereenkomst. Deze overeenkomst moet overgelegd kunnen worden. Huur-/kostgangersbetalingen vinden plaats per banktransacties en deze moeten kunnen worden aangetoond met bankafschriften. Het ontvangen huurbedrag/kostgeld wordt als inkomsten op mindering gebracht op de bijstandsuitkering. Van dit huurbedrag/kostgeld wordt de gemiste huurtoeslag afgetrokken, omdat deze omlaag gaat als er meerdere personen op een adres wonen. Dit moet worden aangetoond met een beschikking huurtoeslag.

 

Artikel 15: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm

In uitzonderlijke gevallen kan het wenselijk zijn om in een individuele situatie maatwerk te leveren en de kostendelersnorm niet toe te passen of iemand niet als kostendeler mee te laten tellen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan crisissituaties, waarbij door belanghebbende tijdelijk onderdak geboden of verkregen wordt. Bijvoorbeeld in de situatie dat belanghebbende een zieke zorgbehoevende ouder opvangt, die tijdelijk niet in staat is om zelfstandig te wonen. Daarnaast kan onder andere ook gedacht worden aan situaties, waarin personen uit detentie komen of uit een instelling en acuut onderdak nodig hebben. Door het niet toepassen van de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner wordt de bereidheid om iemand op te vangen bevorderd en dakloosheid voorkomen.

 

In dit soort situaties moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • 1.

    Het moet gaan om een acute noodzaak tot huisvesting; en

  • 2.

    Het moet gaan om een tijdelijke oplossing en

  • 3.

    de kostendeler moet niet voordat deze in een instelling of detentie zat op hetzelfde adres hebben gewoond, dan is het een herstel van de reguliere situatie en geen tijdelijke noodsituatie.

Met de Pwet in balans heeft de wetgever ook bepaalt dat wanneer tijdelijke inwoning noodzakelijk is vanwege inwonende mantelzorg, dat dan ook de kostendelersnorm en de norm echtpaar niet worden toegepast. Dit moet wel aantoonbaar tijdelijk en noodzakelijk zijn vanwege een intensieve zorgbehoefte. In de definitiebepaling van deze beleidsregels is mantelzorg in het kader van deze tijdelijke inwoning opgenomen. Deze is strikter dan de definitie in de WMO, vanwege de verregaande consequenties.

 

De kostendelersnorm wordt wél toegepast in situaties, waarin duidelijk is dat er sprake is van duurzaam verblijf. Dit kan blijken uit de intentie van belanghebbenden of wanneer de situatie langer duurt (in ieder geval na 1 jaar) en er geen activiteit is om dit te veranderen. Voor mantelzorg betekent het dat het voortduren van de zorgbehoefte mede bepalend is voor de duur van het niet toepassen van de kostendelersnorm.

In de situaties zoals in dit artikel bedoeld, wordt de kostendelersnorm gedurende 3 maanden niet toegepast voor de hoofdbewoner. Degene die inwoont ontvangt wel de kostendelersnorm als deze ook een bijstandsuitkering ontvangt, met uitzondering van de situaties van mantelzorg. Na 3 maanden moet de situatie opnieuw beoordeeld worden via een heronderzoek. Hierbij wordt onderzocht:

  • Welke inspanningen heeft de inwonende persoon verricht om eigen huisvesting te vinden dan wel om terug te keren naar zijn of haar eigen woning.

  • Is er onvoldoende gedaan om zelfstandig te gaan wonen, dan wordt de kostendelersnorm vanaf dat moment alsnog toegepast.

  • Is er wel voldoende gedaan maar heeft dit niet tot het gewenste effect geleid, dan kan de situatie (steeds) worden verlengd met 3 maanden, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om eigen woonruimte te vinden.

Artikel 16: recht op jongerentoeslag

De jongerentoeslag stond tot 1-1-2026 in artikel 12 Pw als bijzondere bijstand. Deze bepaling is vervallen en er is een rijksnorm voor jongerentoeslag vastgesteld, zodat de hoogte landelijk geharmoniseerd wordt. De hoogte wordt verlaagd tot de norm voor uitwonende studiefinanciering. Op grond van het overgangsrecht is bepaald dat de mensen die voor 1 januari 2026 deze uitkering toegekend hadden, deze blijven houden totdat ze 21 jaar worden of uitstromen uit de uitkering.

De gemeente kan de jongerentoeslag verhogen op grond van art. 18 Pw als dit nodig is, omdat ze hogere algemene kosten van bestaan hebben. De totale hoogte van de uitkering mag nooit hoger uitvallen dan de norm > 21 jaar of het wettelijk minimum jeugdloon (afhankelijk van de leeftijd van de jongere).

 

De regels zoals opgenomen in de beleidsregels bijzondere bijstand, wanneer jongeren geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders zijn overgenomen in deze beleidsregels. Het moet gaan om:

  • Jongeren die noodzakelijk zelfstandig wonen en

  • Geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders of

  • Waarvan de ouders zijn overleden of onvindbaar in het buitenland verblijven.

Artikel 18: Overgangsrecht

In dit artikel is opgenomen dat bij aanvragen en lopende onderzoeken voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover nog geen besluit is genomen na de ingang van het nieuwe beleid, niet nadelig kunnen uitpakken als het nieuwe beleid minder gunstig is voor de belanghebbende. Het besluit kan dus genomen worden op zowel het oude beleid als het nieuwe beleid.