Beleidsregels re-integratie 2026 gemeente Oisterwijk
Beleidsregels re-integratie 2026 gemeente Oisterwijk
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk;
- •
- •
- •
- •
het wenselijk is regels vast te stellen omtrent de voorzieningen die het college kan inzetten in het kader van participatie/re-integratie/arbeidsinschakeling,
besluit vast te stellen de Beleidsregels re-integratie 2026 gemeente Oisterwijk.
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
Artikel 1: Begripsomschrijvingen
- 1.
- 2.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
Mantelzorg: van mantelzorg is sprake wanneer iemand gedurende 10 uur of meer onbetaalde ondersteuning biedt aan een hulpbehoevende, waarbij deze zorgbehoefte direct voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en die de gebruikelijk zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in kader van het hulpverlenend beroep.
- g.
- h.
- i.
- j.
Artikel 6: Verplichtingen voor jongeren onder de 27 jaar
- 1.
- 2.
De inspanningsverplichting zoals genoemd in het eerste lid is niet van toepassing als er zwaarwegende redenen bestaan in de individuele situatie van de belanghebbende, die ertoe leiden dat de belanghebbende niet in staat kan worden geacht aan de inspanningsverplichting te voldoen. In dat geval wordt de jongere direct in de gelegenheid gesteld om een aanvraag in te dienen.
- 3.
- 4.
- 5.
- 6.
- 7.
Artikel 7: Verlenen ontheffing wegens dringende redenen
- 1.
Een uitkeringsgerechtigde wordt slechts ontheven van een of meer verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 sub a of c Participatiewet en artikel 37 IOAW/IOAZ wanneer hiervoor dringende redenen aanwezig zijn. Dringende redenen zijn in ieder geval aanwezig als de uitkeringsgerechtigde wordt opgenomen in een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, Participatiewet.
- 2.
- 3.
- 4.
- 5.
- 6.
Artikel 14: Spreiding maatregel 100% naar twee maanden 50%
- 1.
In artikel 21, tweede lid, van de Verzamelverordening is beschreven dat het college op basis van individuele omstandigheden kan besluiten om een maatregel van 100% te effectueren door gedurende 2 maanden de uitkering met 50% te verlagen, als er sprake is van een gedraging waar herstel niet van mogelijk is.
- 2.
- 3.
- 4.
Artikel 15: Verzoek tot herzien maatregel indien deze 100% gedurende 2 maanden bedraagt
- 1.
- 2.
- 3.
- 4.
- 5.
Als belanghebbende aantoont ondubbelzinnig te voldoen aan de verplichting waarvoor een maatregel is opgelegd, dan gaat de herziening in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin belanghebbende het verzoek tot herziening heeft ingediend. Dit betekent dat de maatregel vanaf die dag komt te vervallen.
- 6.
- 7.
- 8.
- 9.
- 10.
Het college kan, in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Aldus vastgesteld op 10 maart 2026,
Het college van burgemeesters en wethouders van Oisterwijk,
Secretaris
Judith Koppers - van der Krabben
Burgemeester
Hans Janssen
In 2020 zijn de Verzamelbeleidsregels PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2020 vastgesteld. Deze verzamelbeleidsregels bundelden het gemeentelijk beleid op een aantal gebieden van Werk en Inkomen. Omdat de verzamelbeleidsregels door onder andere nieuwe wetgeving (Wet breed offensief) en recente rechtspraak verouderd waren, hebben we ze geactualiseerd. Daarbij hebben we de verzamelbeleidsregels ook op onderwerp uit elkaar getrokken. Dat is duidelijker voor zowel onze inwoners als de uitvoering.
Deze beleidsregels gaan over de doelmatigheid van de Participatiewet. Dat betekent dat hierin regels zijn opgenomen over de voorzieningen die het college kan inzetten in het kader van participatie/re-integratie/arbeidsinschakeling.
Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.
Artikel 2: Aanspraak op ondersteuning
Wanneer een belanghebbende een gemeentelijke voorziening nodig heeft om aan het werk te gaan of te blijven, kijkt het college welke voorziening, gelet op de mogelijkheden en de capaciteiten van de belanghebbende (het meest) passend is, waarbij wordt gestreefd naar duurzame arbeidsinschakeling. Als er meerdere voorzieningen passend zijn, dan wordt de goedkoopste voorziening aangeboden. Het college kan een voorziening aan zowel belanghebbende als diens werkgever verstrekken, afhankelijk van wat nodig is voor werk, re-integratie of participatie.
Wanneer arbeidsinschakeling (nog) niet haalbaar is, kan een voorziening worden ingezet voor het verbeteren van de positie op de participatieladder. De participatieladder is een denkbeeldige ladder met zes treden. Van beneden naar boven zijn deze treden: geïsoleerd, sociale contacten buitenshuis, deelname georganiseerde activiteiten, onbetaald werk, onbetaald werk met ondersteuning, betaald werk.
Met het verbeteren van de positie op de participatieladder wordt bedoeld dat iemand op deze denkbeeldige ladder de volgende trede naar boven neemt. Zo kan iemand bijvoorbeeld met de inzet van een voorziening van de trede ‘deelname georganiseerde activiteiten’ (bijvoorbeeld dagbesteding) naar de trede ‘onbetaald werk’ (vrijwilligerswerk) gaan.
Artikel 3: Niet-uitkeringsgerechtigden
Het college kan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aanbieden aan niet-uitkeringsgerechtigden. Niet-uitkeringsgerechtigden zijn mensen die geen recht hebben op een bijstands- of andere uitkering. Zij moeten dan jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd én geen recht hebben op arbeidsondersteuning vanuit andere wette (zoals Wajong, WW, WIA).
Wanneer een niet-uitkeringsgerechtigde in aanmerking wil komen voor een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, moet hij/zij zich zelf melden bij de gemeente voor ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling.
Wanneer de inzet van een voorziening noodzakelijk is om de niet-uitkeringsgerechtigde zijn/haar werk te kunnen laten uitvoeren, kan een voorziening worden toegekend. Er mag dan geen sprake zijn van een voorliggende voorziening. Dit betekent dat, zoals hiervoor vermeld, er geen recht mag zijn op arbeidsondersteuning vanuit andere wetten.
Wanneer een voorziening wordt toegekend, worden de afspraken hierover vastgelegd in een plan van aanpak (zie verder artikel 4). Als de niet-uitkeringsgerechtigde onvoldoende aan de uitvoering van het plan van aanpak meewerkt, beëindigt het college de dienstverlening.
Bij aanspraak op ondersteuning stemt het college met de belanghebbende af welke voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten (waaronder diens wensen en talenten) van de belanghebbende (het meest) passend is. Hierin ligt ook besloten dat het college rekening houdt met de omstandigheden van de belanghebbende, zoals bepaalde zorgtaken.
De wederzijdse afspraken worden in een plan van aanpak vastgelegd, dat in samenspraak met de belanghebbende wordt opgesteld. Het plan van aanpak wordt met een beschikking aan belanghebbende kenbaar gemaakt. Hiermee worden de wederzijdse rechten en plichten ook juridisch vastgelegd.
In principe krijgen alle uitkeringsgerechtigden een plan van aanpak. Hiervan kan worden afgezien als een belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, tenzij de betreffende belanghebbende zelf om een plan van aanpak verzoekt.
Het college kan een voorziening aan zowel belanghebbenden als diens werkgevers verstrekken, afhankelijk van wat nodig is voor werk, re-integratie of participatie.
Voor wat betreft de werkgeversdienstverlening werken we in regionaal verband samen met binnen de arbeidsmarktregio Midden-Brabant. Daarom hebben we het totale aanbod van voorzieningen, zowel voor belanghebbenden als dienst werkgevers, binnen de arbeidsmarktregio Midden-Brabant op elkaar afgestemd.
We hebben de gemeentelijke instrumenten, die voorheen in de regionale menukaart stonden, overzichtelijk in een overzicht gezet. Dit overzicht (bijlage 1) maakt integraal onderdeel uit van de beleidsregels. Dit betekent dat onze inwoners ook aan de bijlage rechten kunnen ontlenen.
Artikel 6: Verplichtingen voor jongeren onder 27 jaar
Gemeenten krijgen wettelijk de ruimte om de zoektermijn voor jongeren in een kwetsbare positie niet toe te passen. In de wet staat opgenomen wie wettelijk aangemerkt worden als kwetsbaar. Dit vullen we in deze beleidsregels aan met:
- •
De opsomming zoals hier uiteen staat is niet limitatief. Er blijft ruimte voor maatwerk bij het beoordelen of een jongere aan de zoektermijn kan voldoen. Deze is immers bedoeld als stimulans voor de jongeren die dit kunnen om verder te studeren of een baan te accepteren.
Alle jongeren worden gesproken in een meldingsgesprek. Als in dit gesprek blijkt dat er zwaarwegende redenen zijn die ertoe leiden dat de jongere niet aan zijn inspanningsverplichting tijdens de zoektermijn kan voldoen, is dit ook reden om af te zien van vier weken.
In de Participatiewet staan naast de algemene uitsluitingsgronden voor jongeren nog drie aanvullende uitsluitingsgronden (artikel 13 lid 2 onderdeel c en d PW):
- •
- •
- •
Er wordt door de wetgever niet gespecificeerd wat er wordt bedoeld met ‘kunnen volgen’. In het derde lid wordt daar verder invulling aan gegeven.
In lid vijf staat beschreven dat we een jongere die geen startkwalificatie heeft wel het vermogen heeft om deze te halen, maar geen of onvoldoende recht heeft op studiefinanciering, in het beginsel niet terug leiden naar school. De wet sluit studeren met een uitkering niet uit, zoals dat vroeger wel het geval was. Om te voorkomen dat bijstand verkapte studiefinanciering wordt, maar ook omdat we nog andere methoden hebben om deze jongeren bijstandsonafhankelijk te maken, hebben we deze bepaling opgenomen. Dit betekent overigens niet dat deze jongeren na het vinden van een baan alsnog een startkwalificatie kunnen halen. In de praktijk blijkt dat het gros van de jongeren die zich melden gebaat is bij het volgen van een BBL opleiding (4 dagen werken bij een werkgever, 1 dag naar school). Hiervoor is studiefinanciering niet noodzakelijk en kan de jongere alsnog een startkwalificatie behalen. Doordat zij via de werkgever inkomen genereren, hoeven zij geen beroep te doen op een uitkering.
Jongeren hebben een informatieplicht als het gaat om de vraag in hoeverre het reguliere onderwijs nog mogelijkheden voor hen biedt. Ze moeten bij hun aanvraag documenten verstrekken die het college kan helpen bij de beoordeling van de vraag of het volgen van een uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding mogelijk is (artikel 41 lid 5 PW). Het moet in ieder geval gaan om gegevens of stukken waarover de jongere redelijkerwijs kan beschikken (zie artikel 4:2 lid 2 Awb). Wanneer de jongere aangeeft belemmeringen te hebben en hij deze belemmeringen niet kan aantonen of onderbouwen door middel van bewijsstukken, dan kan zo nodig een medisch of arbeidsdeskundig advies worden ingewonnen. Dit is enkel mogelijk indien het niet kunnen beschikken over de bewijsstukken niet verwijtbaar is. Indien de jongere geen bewijsstukken overlegt waaruit blijkt dat onderwijs niet meer tot zijn mogelijkheden behoort, wordt ervan uitgegaan dat de jongere naar school kan.
Artikel 7: Verlenen ontheffingen wegens dringende redenen
Op grond van de Participatiewet is iedere uitkeringsgerechtigde verplicht om zijn algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden om mee te werken aan voorzieningen die de arbeidsinschakeling bevorderen.
Onder bepaalde voorwaarden kan een uitkeringsgerechtigde worden ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling. Deze ontheffing kan alleen tijdelijk worden ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling. Deze ontheffing kan alleen tijdelijk worden gegeven (behalve bij personen die volledig duurzaam arbeidsongeschikt zijn, zie hiervoor artikel 10 van deze beleidsregels). Ontheffing van voorzieningen in het kader van sociale activering of van onderzoek naar de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling is niet mogelijk.
In het geval van ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling op grond van dringende redenen, moet de dringende reden altijd in (de omstandigheden van) de persoon liggen. Algemene redenen zoals een slechte arbeidsmarkt zijn nooit een reden voor ontheffing. De ontheffing wordt individueel beoordeeld.
Uitgangspunt is dat niet wordt onderzocht wat mensen niet kunnen, maar juist wat ze wél kunnen in het licht van hun beperkingen of hun (sociale) omstandigheden. Dit wordt door de medewerker W&O zorgvuldig met de belanghebbende besproken. Alleen de haalbare verplichtingen worden opgelegd, van de andere verplichtingen kan een ontheffing worden gegeven. De duur van de ontheffing moet altijd in de beschikking worden opgenomen. Deze is afhankelijk van de duur van de dringende reden waarvoor deze ontheffing wordt gegeven. De maximale duur van de ontheffing is 1 jaar, waarna de verlenging opnieuw wordt beoordeeld, intern dan wel via een externe deskundige. Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen, indien dit binnen het vermogen van de belanghebbende ligt en gezien de aard van de belemmering mogelijk is. Deze extra verplichting wordt dan opgelegd op grond van artikel 55 van de PW.
Artikel 8: Ontheffing wegens lichamelijke of psychische belemmering
Medische problemen zijn niet per definitie een reden voor het verlenen van een ontheffing. Indien medische redenen worden aangegeven als belemmering en er zijn nog geen medische gegevens aanwezig in het dossier om dit te onderbouwen, dan wordt er een medisch of arbeidsdeskundig onderzoek gevraagd. Als de medische situatie al bekend is en er zijn geen wijzigingen in de situatie, dan kan de ontheffing worden verleend zonder aanvullend onderzoek.
Artikel 9: Ontheffing wegens intensieve zorgtaken
Over het algemeen zullen zorgtaken geen reden zijn om een ontheffing te verlenen. Een zorgtaak zal namelijk in de meeste gevallen gecombineerd kunnen worden met de arbeidsverplichting.
In specifieke gevallen kan een zorgtaak zoveel impact hebben op een belanghebbende, dat actieve inzet voor wat betreft de arbeidsverplichting niet van de persoon gevergd kan worden. Er kan dan sprake zijn van een dringende reden. Bij dringende redenen in deze context moet worden gedacht aan bijzondere zorgtaken. Vaak zijn het de kortdurende zorgtaken, die dienen ter overbrugging wanneer reguliere zorg nog niet geregeld is. Dit kunnen bijvoorbeeld de zorgtaken zijn voor één of meerdere ten laste komende kinderen, zoals een gehandicapt of langdurig ziek kind, waarvoor overdag (nog) geen opvangmogelijkheid is. Een ontheffing wegens zorgtaken is anders dan de ontheffing voor een alleenstaande ouder met een kind tot 5 jaar, zoals bedoeld in artikel 9a PW.
Artikel 10: Beoordeling volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
Personen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, hoeven niet te worden ‘ontheven’ van de verplichtingen, aangezien zowel de arbeids- als de re-integratieverplichting vanuit de wet op hen niet van toepassing zijn.
Onder de groep ‘volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid’ vallen degenen die voldoen aan de criteria die de Wet werk en inkomen arbeidsongeschikten daaraan stelt. Dit is de enige groep voor wie dit geldt. De regering heeft hiertoe besloten om te voorkomen dat deze personen en de uitvoering belast moeten worden met een periodiek medisch onderzoek waarvan de uitkomst op voorhand vast staat, gegeven de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, moet gebeuren via een arbeidsdeskundig- dan wel medisch onderzoek. Als de medische situatie al bekend is, en hieruit is af te leiden dat iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, dan kan dit op basis van de reeds aanwezige gegevens worden vastgesteld. Een arbeidsdeskundig- dan wel een medisch onderzoek is dan niet meer nodig.
Artikel 11: Rekening houden met bepaalde zorgtaken
Bij de invulling van de arbeidsverplichtingen houdt het college rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie werk en zorg. Dit zal in de meeste gevallen betekenen dat, indien een voorziening wordt aangeboden, bekeken wordt of een belanghebbende deel kan nemen aan de voorziening en dat daarnaast nog voldoende ruimte bestaat voor de zorgtaken. Ook wordt de belanghebbende gewezen op de aanwezigheid van een flankerende voorziening. Daarbij kan worden gedacht aan kinderopvang. Overigens hoeft de gemeente niet perse zelf alle voorzieningen te organiseren, maar zij dient wel rekening te houden met het beschikbaar zijn hiervan.
Als de zorgtaken voldoen aan de definitie van mantelzorg, is dit naar oordeel van het college een verantwoorde invulling van maatschappelijke participatie. Dit kan naast de arbeidsverplichting bestaan en aangeboden voorzieningen worden hierop afgestemd.
Artikel 12: Ontheffing alleenstaande ouders
Waar een reguliere ouder de zorgtaken kan verdelen tussen zichzelf en hun partner, is dat moeilijker voor alleenstaande ouders. Daarom biedt het college alleenstaande ouders de mogelijkheid verzoek te doen ter ontheffing van de verplichtingen zoals bepaald in lid 1. De re-integratie- en scholingsverplichting blijven van kracht, omdat het inziens het college nog mogelijk is aan deze verplichtingen te voldoen met behulp van een flankerende voorziening zoals kinderopvang.
Artikel 13: Spreiding maatregel naar drie maanden (inkeerbepaling)
In de Verzamelverordening is de inkeerbepaling opgenomen. Omdat het doel van het opleggen van een verlaging is om een gedragsverandering teweeg te brengen, krijgt een belanghebbende door de inkeerbepaling de kans zijn gedrag te veranderen waarna de opgelegde verlaging ongedaan gemaakt kan worden
Het moet dus altijd gaan om een gedraging die nog hersteld kan worden (met andere woorden: waar inkeer nog van mogelijk is).
Dit artikel geeft aan op welke wijze de maatregel wordt gespreid.
Artikel 14: Maatregel van 100% halveren
Wanneer er sprake is van een maatregel van 100% gedurende 1 maand, heeft het gebruik maken van de inkeerbepaling de voorkeur. Maar als er sprake is van een gedraging waar herstel niet van mogelijk is, dan kan het college op basis van individuele omstandigheden besluiten de verlaging van 100% te halveren.
In het tweede lid is uitgewerkt in welke situaties het college van deze mogelijkheid tot halveren gebruikmaakt. Er zijn ook andere situaties denkbaar waarin het zeer gewenst is om de maatregel te halveren. Dit moet altijd individueel worden beoordeeld en goed worden gemotiveerd.
Artikel 15: Verzoek tot herzien indien deze 100% gedurende 2 maanden bedraagt
In beginsel duurt een maatregel van 100% nooit langer dan 1 maand. Tenzij er sprake is van recidive, dan wordt de duur van de maatregel verdubbelt. Dit betekent dat aan recidivisten een maatregel van 100% gedurende 2 maanden kan worden opgelegd. Wanneer dat het geval is, kan een belanghebbende aan het college verzoeken om een deel van de maatregel gedeeltelijk niet te effectueren. Een dergelijk verzoek moet schriftelijk en gemotiveerd worden gedaan. In het verzoek moet belanghebbende in ieder geval opnemen welke verplichting is geschonden (dus waarom een maatregel is opgelegd) en moet belanghebbende aantonen dat hij op het moment van indienen van het verzoek wél aan de verplichting voldoet. Het verzoek kan pas worden ingediend als de maatregel al is gestart, en vóórdat de maatregel volledig is geeffectueerd. Een dergelijk verzoek kan per besluit eenmaal worden gedaan. Worden er meerdere maatregelen per jaar van 100% gedurende 2 maanden opgelegd, dan kan belanghebbende tweemaal per jaar een dergelijk verzoek indienen. Het college zal op basis van een individuele beoordeling de afweging maken of de maatregel wel of niet gedeeltelijk wordt geeffectueerd.