Beleidsregels re-integratie 2026 gemeente Oisterwijk

donderdag 19 maart 2026
Type bekendmaking: beleidsregel



Beleidsregels re-integratie 2026 gemeente Oisterwijk

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk;

 

gelet op:

  • titel 4.3. van de Algemene wet bestuursrecht;

  • artikel 160, eerste lid onder a Gemeentewet;

  • artikel 7 Participatiewet;

  • hoofdstuk 2 Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023;

overwegende dat:

 

het wenselijk is regels vast te stellen omtrent de voorzieningen die het college kan inzetten in het kader van participatie/re-integratie/arbeidsinschakeling,

 

besluit vast te stellen de Beleidsregels re-integratie 2026 gemeente Oisterwijk.

 

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2023.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Algemeen geaccepteerde arbeid: alle werkzaamheden die algemeen maatschappelijk aanvaard zijn, daaronder begrepen vormen van gesubsidieerde arbeid, met uitzondering van werk in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw).

    • b.

      Arbeidsinschakeling: arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b van de Participatiewet.

    • c.

      Belanghebbende: persoon die overeenkomstig artikel 10 van de Participatiewet aanspraak kan maken op een voorziening.

    • d.

      Duurzame uitstroom: uitstroom uit de bijstand naar betaald werk, waaronder begrepen uitzendwerk, voor minimaal 6 maanden.

    • e.

      Jongere in een kwetsbare positie: persoon jonger dan 27 jaar zoals opgenomen in artikel 41 lid 4 van de wet, aangevuld met de jongere die:

      • i.

        Bekend is of ondersteund wordt door erkende maatschappelijke zorgorganisaties.

    • f.

      Mantelzorg: van mantelzorg is sprake wanneer iemand gedurende 10 uur of meer onbetaalde ondersteuning biedt aan een hulpbehoevende, waarbij deze zorgbehoefte direct voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en die de gebruikelijk zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in kader van het hulpverlenend beroep.

    • g.

      Ondersteuning: ondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet.

    • h.

      Participatieladder: een meetinstrument waarmee je meet in hoeverre iemand participeert in de samenleving. De ladder is onderverdeeld in zes treden: geïsoleerd, sociale contacten buitenshuis, deelname georganiseerde activiteiten, onbetaald werk, onbetaald werk met ondersteuning, betaald werk.

    • i.

      Verzamelverordening: Verzamelverordening PW, IOAW, IAOZ, en Bbz 2023.

    • j.

      WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

Hoofdstuk 2: Ondersteuning bij re-integratie

Artikel 2: Aanspraak op ondersteuning

  • 1.

    Het college biedt belanghebbende een voorziening aan, wanneer belanghebbende afhankelijk is van deze voorziening in het kader van zijn of haar arbeidsinschakeling en/of een blijvende verbetering van zijn/haar arbeidsmarktpositie voor duurzame uitstroom.

  • 2.

    Wanneer arbeidsinschakeling (nog) niet haalbaar is, kan een voorziening worden ingezet voor het verbeteren van de positie op de participatieladder:

    • a.

      Trede 6: betaald werk;

    • b.

      Trede 5: betaald werk met ondersteuning;

    • c.

      Trede 4: onbetaald werk;

    • d.

      Trede 3: deelname aan georganiseerde activiteiten;

    • e.

      Trede 2: sociale contacten buitenshuis;

    • f.

      Trede 1: geïsoleerd.

  • 3.

    Tenzij anders bepaald in deze beleidsregels, zet het college geen middelen vanuit het Participatiebudget in, ten behoeve van:

    • a.

      jongeren tot 27 jaar, die uit ’s Rijkskas bekostigd onderwijs volgen of kunnen volgen.

Artikel 3: Niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers)

  • 1.

    In afwijking van artikel 2 komt de persoon, die op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, Participatiewet wordt begrepen onder niet-uitkeringsgerechtigde, uitsluitend op aanvraag van deze persoon in aanmerking voor een voorziening als genoemd in het tweede lid.

  • 2.

    Op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, kan het college onder de volgende voorwaarden een voorziening uit bijlage 1 ‘Instrumenten re-integratie’ aanbieden:

    • a.

      de voorziening is noodzakelijk om de nugger zijn/haar werk te kunnen laten uitvoeren; en

    • b.

      er is geen sprake van een voorliggende voorziening, tenzij deze buiten de schuld van de nugger om is vroegtijdig is afgebroken.

Artikel 4: Plan van aanpak

  • 1.

    Het college stemt de ondersteuning als bedoeld in artikel 2 en 3 van deze beleidsregels af op de persoonlijke situatie en mogelijkheden van belanghebbende. In samenspraak met de belanghebbende wordt de inhoud van het traject bepaald.

  • 2.

    Het college legt de wederzijdse afspraken schriftelijk vast in een plan van aanpak, dan wel in een persoonlijk plan inburgering en participatie en maakt deze bij beschikking aan belanghebbende kenbaar.

  • 3.

    Van het opstellen van een plan van aanpak wordt afgezien als het een belanghebbende betreft die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Artikel 5: Voorzieningen

  • 1.

    Het college kan voorzieningen en/of subsidies aan belanghebbenden en aan werkgevers toekennen.

  • 2.

    De voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid staan vermeld in bijlage 1 ‘Instrumenten re-integratie’, die integraal onderdeel uitmaakt van deze beleidsregels, en maken onderdeel uit van de regionale werkgeversdienstverlening van de arbeidsmarktregio Midden-Brabant.

Hoofdstuk 3: Verplichtingen

Artikel 6: Verplichtingen voor jongeren onder de 27 jaar

  • 1.

    Voor een jongere tot 27 jaar, niet zijnde kwetsbaar zoals gedefinieerd in artikel 41 lid 4 van de wet en artikel 1 lid e van deze beleidsregels, die zich heeft gemeld voor een uitkering, geldt de eerste vier weken wettelijk de inspanningsverplichting om:

    • a.

      Zijn of haar mogelijkheden tot het terugkeren naar school te onderzoeken om zich voor een opleiding aan te melden, of de mogelijkheden met betrekking tot arbeid te onderzoeken en te solliciteren naar algemeen geaccepteerde arbeid; en

    • b.

      Gebruik te maken van de dienstverlening van het Jongerenpunt Midden-Brabant.

  • 2.

    De inspanningsverplichting zoals genoemd in het eerste lid is niet van toepassing als er zwaarwegende redenen bestaan in de individuele situatie van de belanghebbende, die ertoe leiden dat de belanghebbende niet in staat kan worden geacht aan de inspanningsverplichting te voldoen. In dat geval wordt de jongere direct in de gelegenheid gesteld om een aanvraag in te dienen.

  • 3.

    Voor alle jongeren geldt de verplichting dat ze terug naar school gaan, tenzij terugkeer naar school redelijkerwijs niet van hen kan worden verwacht. Terugkeer naar school kan niet redelijkerwijs worden verwacht wanneer:

    • a.

      het een jongere betreft met een toereikende startkwalificatie (MBO 4 niveau of hoger), mits de afgeronde opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief biedt;

    • b.

      het studieadvies uitwijst dat het voor de jongere niet haalbaar is om terug naar school te gaan;

    • c.

      er in de individuele situatie van de jongere zeer bijzondere omstandigheden bestaan die een reële belemmering vormen om terug naar school te gaan.

  • 4.

    In aanvulling op het derde lid geldt dat jongeren pas terug naar school kunnen vanaf het moment dat de opleidingen ook daadwerkelijk starten.

  • 5.

    In afwijking van het derde lid geldt dat een jongere die geen startkwalificatie heeft, wel het vermogen heeft om deze te halen, maar in beginsel geen of onvoldoende recht heeft op studiefinanciering, in beginsel niet terug naar school wordt geleid.

  • 6.

    De jongere die aangeeft niet terug naar school te kunnen, dient met bewijsstukken aan te tonen dat het volgen van een opleiding bekostigd door de Rijksoverheid niet mogelijk is.

  • 7.

    Als de jongere de benodigde bewijsstukken zoals bedoeld in het vijfde lid niet kan overleggen en dit niet verwijtbaar is, dan kan indien nodig een medisch – dan wel arbeidsdeskundig advies worden ingewonnen naar de belemmeringen van de jongere.

Hoofdstuk 4: Ontheffingen

Artikel 7: Verlenen ontheffing wegens dringende redenen

  • 1.

    Een uitkeringsgerechtigde wordt slechts ontheven van een of meer verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 sub a of c Participatiewet en artikel 37 IOAW/IOAZ wanneer hiervoor dringende redenen aanwezig zijn. Dringende redenen zijn in ieder geval aanwezig als de uitkeringsgerechtigde wordt opgenomen in een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, Participatiewet.

  • 2.

    Dringende redenen zoals bedoeld in het eerste lid kunnen voortkomen uit zorgtaken, lichamelijke- of psychische belemmeringen.

  • 3.

    Dringende redenen zoals bedoeld in het eerste lid, zijn in ieder geval aanwezig wanneer een uitkeringsgerechtigde is opgenomen in een inrichting, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f van de wet, of verblijft in een zelfstandige wooneenheid op het terrein van een inrichting.

  • 4.

    Een uitkeringsgerechtigden wordt ontheven van de verplichtingen over de periode waarover de belemmering zich voordoet, doch maximaal voor de duur van 1 jaar.

  • 5.

    Bij het verlenen van de ontheffing wordt direct een (her)onderzoek opgeboekt voor de afloop van de ontheffing. Hierin vindt een herbeoordeling plaats, die in het geval van ongewijzigde dan wel voortdurende omstandigheden administratief kan worden afgehandeld.

  • 6.

    Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen als dit binnen het vermogen van de belanghebbende ligt.

Artikel 8: Ontheffing wegens lichamelijke of psychische belemmering

  • 1.

    Als een belanghebbende vanwege een lichamelijke of psychische belemmering niet aan de verplichtingen kan voldoen, kan (gedeeltelijke) ontheffing zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, worden verleend.

  • 2.

    Een belanghebbende wordt enkel ontheven van die verplichtingen waaraan hij vanwege zijn belemmeringen niet kan voldoen; lichamelijke of psychische belemmering sluiten deelname aan het arbeidsproces niet altijd volledig uit.

  • 3.

    Bij het afstemmen van de plicht tot arbeidsinschakeling op de individuele omstandigheden van de belanghebbende, kan een advies van een arbeids- dan wel medisch deskundige worden ingewonnen.

  • 4.

    Als uit reeds beschikbare medische gegevens objectief kan worden vastgesteld dat een ontheffing al dan niet dient te worden verleend, dan is een medisch onderzoek overbodig.

Artikel 9: Ontheffing wegens intensieve zorgtaken

  • 1.

    Zorgtaken zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, Participatiewet kunnen in bepaalde gevallen als dringende redenen worden aangemerkt op grond waarvan een ontheffing als bedoeld in artikel 7, eerste lid, kan worden verleend.

  • 2.

    De zorgtaak die wordt aangemerkt als dringende reden moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de betreffende zorgtaak is niet te combineren met de verplichting tot arbeidsinschakeling; en

    • b.

      er kan voor de zorgtaak geen of slechts een gedeeltelijk beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening; en

    • c.

      het betreft bijzondere zorg voor een zieke / anderszins hulpbehoevende bloed- of aanverwant, en dus niet reguliere opvoeding of zorg;

    • d.

      de duur van de ontheffing wordt vastgesteld conform hetgeen gesteld is in artikel 7, derde lid, dan wel zoveel korter als de zorgtaak wordt verricht.

  • 3.

    Wanneer er bij het aanbieden van een voorziening rekening kan worden gehouden met de betreffende zorgtaken, worden de zorgtaken voor dat gedeelte niet als dringend beoordeeld.

Artikel 10: Beoordeling volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid

  • 1.

    De beoordeling of een belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, dient te worden vastgesteld aan de hand van een arbeidskundig- dan wel medisch onderzoek.

  • 2.

    Als uit al beschikbare medische gegevens objectief kan worden vastgesteld dat een belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, is een arbeidskundig- dan wel medisch onderzoek overbodig.

Artikel 11: Rekening houden met bepaalde zorgtaken

  • 1.

    Bij de invulling van de arbeidsverplichtingen houdt het college rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie werk en zorg.

  • 2.

    Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met de volgende zorgtaken:

    • a.

      de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; of

    • b.

      de noodzaak tot het verrichten van mantelzorg, zoals gedefinieerd in artikel 1 lid f van deze beleidsregels.

  • 3.

    Het college beoordeelt of mantelzorg zoals benoemd in artikel 2 lid b een verantwoorde invulling is van de participatieplicht zoals opgenomen in artikel 9, lid 1 van de wet.

  • 4.

    Wanneer rekening wordt gehouden met de zorgtaak, dan wordt een voorziening, met name qua tijdsindeling, zo ingericht dat deze naast de zorgtaak kan worden uitgevoerd.

  • 5.

    Belanghebbende wordt, indien van toepassing, gewezen op de aanwezigheid van flankerende voorzieningen.

Artikel 12: Ontheffing alleenstaande ouders

  • 1.

    Het college kan het college op eigen verzoek van een alleenstaande ouder met een zorgtaak voor een kind, jonger dan vijf jaar, eenmalig een ontheffing van de volgende verplichtingen goedkeuren:

    • a.

      de arbeidsplicht;

    • b.

      inschrijving bij als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf;

    • c.

      de tegenprestatie.

  • 2.

    De re-integratieplicht en de scholingsverplichting blijven van kracht.

  • 3.

    Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen, als dit binnen het vermogen van de belanghebbende ligt.

Hoofdstuk 5: Afstemming

Artikel 13: Spreiding maatregel naar drie maanden (inkeerbepaling)

  • 1.

    Van de mogelijkheid om de verlaging te spreiden over drie maanden, zoals opgenomen in artikel 14, zesde lid van de Verzamelverordening, kan het college enkel gebruik maken als er sprake is van een gedraging waar nog inkeer van mogelijk is.

  • 2.

    De verlaging wordt als volgt gespreid:

    • a.

      40% van de maatregel gedurende de eerste maand;

    • b.

      30% van de maatregel gedurende de tweede maand;

    • c.

      30% van de maatregel gedurende de derde maand.

  • 3.

    Als de belanghebbende binnen de inkeertermijn alsnog voldoet aan de gemaakte afspraken, dan vervalt het restant van de maatregel.

Artikel 14: Spreiding maatregel 100% naar twee maanden 50%

  • 1.

    In artikel 21, tweede lid, van de Verzamelverordening is beschreven dat het college op basis van individuele omstandigheden kan besluiten om een maatregel van 100% te effectueren door gedurende 2 maanden de uitkering met 50% te verlagen, als er sprake is van een gedraging waar herstel niet van mogelijk is.

  • 2.

    In de volgende situaties effectueert het college de maatregel met 50% gedurende 2 maanden:

    • a.

      als er sprake is van een gezin met ten laste komende kinderen, omdat kinderen niet de dupe mogen zijn van de gedragingen van volwassen gezinsleden;

    • b.

      als er sprake is van een minnelijk schuldhulpverleningstraject;

    • c.

      in andere situaties als duidelijk is dat er grote problemen ontstaan, zoals bijvoorbeeld dreigende huisuitzettingen.

  • 3.

    De opsomming genoemd in lid 2 betreft geen uitputtende lijst; andere individuele omstandigheden kunnen ook reden zijn om de maatregel te halveren.

  • 4.

    Een afwijking zoals bedoeld in lid 1 en 2 op de hoofdregel dient altijd gemotiveerd te worden.

Artikel 15: Verzoek tot herzien maatregel indien deze 100% gedurende 2 maanden bedraagt

  • 1.

    Als een maatregel van 100% van de bijstandsnorm is opgelegd wegens schending van één van de verplichtingen genoemd in artikel 18, vierde lid, PW, met een duur van 2 maanden of langer, kan de belanghebbende een schriftelijk en gemotiveerd verzoek doen aan het college om deze maatregel te herzien.

  • 2.

    In dit verzoek dient in ieder geval opgenomen te zijn:

    • a.

      een beschrijving van de geschonden verplichting; en

    • b.

      een verklaring, eventueel met ondersteunende bewijsstukken, waarin de belanghebbende aantoont dat hij op het moment van indienen van het verzoek wél ondubbelzinnig aan de verplichting voldoet, dan wel de wijze waarop hij dit het college kan aantonen.

  • 3.

    Het college beoordeelt op basis van het verzoek of zij de maatregel herziet.

  • 4.

    Belanghebbende kan het verzoek niet eerder indienen dan de dag waarop de effectuering van de maatregel start, en niet later dan dat de maatregel volledig geeffectueerd is.

  • 5.

    Als belanghebbende aantoont ondubbelzinnig te voldoen aan de verplichting waarvoor een maatregel is opgelegd, dan gaat de herziening in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin belanghebbende het verzoek tot herziening heeft ingediend. Dit betekent dat de maatregel vanaf die dag komt te vervallen.

  • 6.

    Een verzoek tot herziening van de maatregel heeft geen opschortende werking wat betreft het effectueren van de maatregel.

  • 7.

    Een belanghebbende kan voor ieder besluit dat heeft geleid tot oplegging van de maatregel slechts één maal een verzoek tot herziening indienen. Het college zal een tweede verzoek niet beoordelen, tenzij er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

  • 8.

    Een belanghebbende kan per kalenderjaar niet meer dan twee maal een verzoek tot herziening indienen. Het college zal het eerstvolgende verzoek niet beoordelen, tenzij er sprake is van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheden.

  • 9.

    Als daartoe aanleiding bestaat, kan het college ambtshalve besluiten over te gaan tot herziening van de maatregel.

  • 10.

    Het college geeft belanghebbende door middel van een besluit schriftelijke terugkoppeling over het verzoek.

Artikel 16: Hardheidsclausule

Het college kan, in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 17: Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels re-integratie 2026 gemeente Oisterwijk’.

Artikel 18: Inwerkingtreding en intrekking oude beleidsregels

  • 1.

    Deze beleidsregels treden op de dag na bekendmaking in werking en werken terug tot 1 januari 2026.

  • 2.

    Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de Beleidsregels re-integratie 2024 gemeente Oisterwijk ingetrokken.

Aldus vastgesteld op 10 maart 2026,

Het college van burgemeesters en wethouders van Oisterwijk,

Secretaris

Judith Koppers - van der Krabben

Burgemeester

Hans Janssen

Toelichting

In 2020 zijn de Verzamelbeleidsregels PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2020 vastgesteld. Deze verzamelbeleidsregels bundelden het gemeentelijk beleid op een aantal gebieden van Werk en Inkomen. Omdat de verzamelbeleidsregels door onder andere nieuwe wetgeving (Wet breed offensief) en recente rechtspraak verouderd waren, hebben we ze geactualiseerd. Daarbij hebben we de verzamelbeleidsregels ook op onderwerp uit elkaar getrokken. Dat is duidelijker voor zowel onze inwoners als de uitvoering.

 

Deze beleidsregels gaan over de doelmatigheid van de Participatiewet. Dat betekent dat hierin regels zijn opgenomen over de voorzieningen die het college kan inzetten in het kader van participatie/re-integratie/arbeidsinschakeling.

 

Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.

 

Artikel 2: Aanspraak op ondersteuning

Wanneer een belanghebbende een gemeentelijke voorziening nodig heeft om aan het werk te gaan of te blijven, kijkt het college welke voorziening, gelet op de mogelijkheden en de capaciteiten van de belanghebbende (het meest) passend is, waarbij wordt gestreefd naar duurzame arbeidsinschakeling. Als er meerdere voorzieningen passend zijn, dan wordt de goedkoopste voorziening aangeboden. Het college kan een voorziening aan zowel belanghebbende als diens werkgever verstrekken, afhankelijk van wat nodig is voor werk, re-integratie of participatie.

Wanneer arbeidsinschakeling (nog) niet haalbaar is, kan een voorziening worden ingezet voor het verbeteren van de positie op de participatieladder. De participatieladder is een denkbeeldige ladder met zes treden. Van beneden naar boven zijn deze treden: geïsoleerd, sociale contacten buitenshuis, deelname georganiseerde activiteiten, onbetaald werk, onbetaald werk met ondersteuning, betaald werk.

Met het verbeteren van de positie op de participatieladder wordt bedoeld dat iemand op deze denkbeeldige ladder de volgende trede naar boven neemt. Zo kan iemand bijvoorbeeld met de inzet van een voorziening van de trede ‘deelname georganiseerde activiteiten’ (bijvoorbeeld dagbesteding) naar de trede ‘onbetaald werk’ (vrijwilligerswerk) gaan.

 

Artikel 3: Niet-uitkeringsgerechtigden

Het college kan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aanbieden aan niet-uitkeringsgerechtigden. Niet-uitkeringsgerechtigden zijn mensen die geen recht hebben op een bijstands- of andere uitkering. Zij moeten dan jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd én geen recht hebben op arbeidsondersteuning vanuit andere wette (zoals Wajong, WW, WIA).

Wanneer een niet-uitkeringsgerechtigde in aanmerking wil komen voor een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, moet hij/zij zich zelf melden bij de gemeente voor ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling.

Wanneer de inzet van een voorziening noodzakelijk is om de niet-uitkeringsgerechtigde zijn/haar werk te kunnen laten uitvoeren, kan een voorziening worden toegekend. Er mag dan geen sprake zijn van een voorliggende voorziening. Dit betekent dat, zoals hiervoor vermeld, er geen recht mag zijn op arbeidsondersteuning vanuit andere wetten.

Wanneer een voorziening wordt toegekend, worden de afspraken hierover vastgelegd in een plan van aanpak (zie verder artikel 4). Als de niet-uitkeringsgerechtigde onvoldoende aan de uitvoering van het plan van aanpak meewerkt, beëindigt het college de dienstverlening.

 

Artikel 4: Plan van aanpak

Bij aanspraak op ondersteuning stemt het college met de belanghebbende af welke voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten (waaronder diens wensen en talenten) van de belanghebbende (het meest) passend is. Hierin ligt ook besloten dat het college rekening houdt met de omstandigheden van de belanghebbende, zoals bepaalde zorgtaken.

De wederzijdse afspraken worden in een plan van aanpak vastgelegd, dat in samenspraak met de belanghebbende wordt opgesteld. Het plan van aanpak wordt met een beschikking aan belanghebbende kenbaar gemaakt. Hiermee worden de wederzijdse rechten en plichten ook juridisch vastgelegd.

In principe krijgen alle uitkeringsgerechtigden een plan van aanpak. Hiervan kan worden afgezien als een belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, tenzij de betreffende belanghebbende zelf om een plan van aanpak verzoekt.

 

Artikel 5: Voorzieningen

Het college kan een voorziening aan zowel belanghebbenden als diens werkgevers verstrekken, afhankelijk van wat nodig is voor werk, re-integratie of participatie.

Voor wat betreft de werkgeversdienstverlening werken we in regionaal verband samen met binnen de arbeidsmarktregio Midden-Brabant. Daarom hebben we het totale aanbod van voorzieningen, zowel voor belanghebbenden als dienst werkgevers, binnen de arbeidsmarktregio Midden-Brabant op elkaar afgestemd.

We hebben de gemeentelijke instrumenten, die voorheen in de regionale menukaart stonden, overzichtelijk in een overzicht gezet. Dit overzicht (bijlage 1) maakt integraal onderdeel uit van de beleidsregels. Dit betekent dat onze inwoners ook aan de bijlage rechten kunnen ontlenen.

 

Artikel 6: Verplichtingen voor jongeren onder 27 jaar

Gemeenten krijgen wettelijk de ruimte om de zoektermijn voor jongeren in een kwetsbare positie niet toe te passen. In de wet staat opgenomen wie wettelijk aangemerkt worden als kwetsbaar. Dit vullen we in deze beleidsregels aan met:

  • Jongeren die bekend zijn bij of ondersteund worden door erkende maatschappelijke (zorg)organisaties (zoals de Toegang).

De opsomming zoals hier uiteen staat is niet limitatief. Er blijft ruimte voor maatwerk bij het beoordelen of een jongere aan de zoektermijn kan voldoen. Deze is immers bedoeld als stimulans voor de jongeren die dit kunnen om verder te studeren of een baan te accepteren.

 

Alle jongeren worden gesproken in een meldingsgesprek. Als in dit gesprek blijkt dat er zwaarwegende redenen zijn die ertoe leiden dat de jongere niet aan zijn inspanningsverplichting tijdens de zoektermijn kan voldoen, is dit ook reden om af te zien van vier weken.

 

In de Participatiewet staan naast de algemene uitsluitingsgronden voor jongeren nog drie aanvullende uitsluitingsgronden (artikel 13 lid 2 onderdeel c en d PW):

  • de jongere uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering;

  • de jongere uit ’s Rijks bekostigd onderwijs kan volgen, in verband hiermee geen aanspraak heeft op studiefinanciering, maar de jongere dit onderwijs niet volgt;

  • uit de houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn arbeidsverplichtingen van artikel 9 Participatiewet of aanvullende verplichtingen op grond van artikel 55 Participatiewet niet wil nakomen.

Er wordt door de wetgever niet gespecificeerd wat er wordt bedoeld met ‘kunnen volgen’. In het derde lid wordt daar verder invulling aan gegeven.

In lid vijf staat beschreven dat we een jongere die geen startkwalificatie heeft wel het vermogen heeft om deze te halen, maar geen of onvoldoende recht heeft op studiefinanciering, in het beginsel niet terug leiden naar school. De wet sluit studeren met een uitkering niet uit, zoals dat vroeger wel het geval was. Om te voorkomen dat bijstand verkapte studiefinanciering wordt, maar ook omdat we nog andere methoden hebben om deze jongeren bijstandsonafhankelijk te maken, hebben we deze bepaling opgenomen. Dit betekent overigens niet dat deze jongeren na het vinden van een baan alsnog een startkwalificatie kunnen halen. In de praktijk blijkt dat het gros van de jongeren die zich melden gebaat is bij het volgen van een BBL opleiding (4 dagen werken bij een werkgever, 1 dag naar school). Hiervoor is studiefinanciering niet noodzakelijk en kan de jongere alsnog een startkwalificatie behalen. Doordat zij via de werkgever inkomen genereren, hoeven zij geen beroep te doen op een uitkering.

Jongeren hebben een informatieplicht als het gaat om de vraag in hoeverre het reguliere onderwijs nog mogelijkheden voor hen biedt. Ze moeten bij hun aanvraag documenten verstrekken die het college kan helpen bij de beoordeling van de vraag of het volgen van een uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding mogelijk is (artikel 41 lid 5 PW). Het moet in ieder geval gaan om gegevens of stukken waarover de jongere redelijkerwijs kan beschikken (zie artikel 4:2 lid 2 Awb). Wanneer de jongere aangeeft belemmeringen te hebben en hij deze belemmeringen niet kan aantonen of onderbouwen door middel van bewijsstukken, dan kan zo nodig een medisch of arbeidsdeskundig advies worden ingewonnen. Dit is enkel mogelijk indien het niet kunnen beschikken over de bewijsstukken niet verwijtbaar is. Indien de jongere geen bewijsstukken overlegt waaruit blijkt dat onderwijs niet meer tot zijn mogelijkheden behoort, wordt ervan uitgegaan dat de jongere naar school kan.

 

Artikel 7: Verlenen ontheffingen wegens dringende redenen

Op grond van de Participatiewet is iedere uitkeringsgerechtigde verplicht om zijn algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden om mee te werken aan voorzieningen die de arbeidsinschakeling bevorderen.

Onder bepaalde voorwaarden kan een uitkeringsgerechtigde worden ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling. Deze ontheffing kan alleen tijdelijk worden ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling. Deze ontheffing kan alleen tijdelijk worden gegeven (behalve bij personen die volledig duurzaam arbeidsongeschikt zijn, zie hiervoor artikel 10 van deze beleidsregels). Ontheffing van voorzieningen in het kader van sociale activering of van onderzoek naar de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling is niet mogelijk.

In het geval van ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling op grond van dringende redenen, moet de dringende reden altijd in (de omstandigheden van) de persoon liggen. Algemene redenen zoals een slechte arbeidsmarkt zijn nooit een reden voor ontheffing. De ontheffing wordt individueel beoordeeld.

Uitgangspunt is dat niet wordt onderzocht wat mensen niet kunnen, maar juist wat ze wél kunnen in het licht van hun beperkingen of hun (sociale) omstandigheden. Dit wordt door de medewerker W&O zorgvuldig met de belanghebbende besproken. Alleen de haalbare verplichtingen worden opgelegd, van de andere verplichtingen kan een ontheffing worden gegeven. De duur van de ontheffing moet altijd in de beschikking worden opgenomen. Deze is afhankelijk van de duur van de dringende reden waarvoor deze ontheffing wordt gegeven. De maximale duur van de ontheffing is 1 jaar, waarna de verlenging opnieuw wordt beoordeeld, intern dan wel via een externe deskundige. Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen, indien dit binnen het vermogen van de belanghebbende ligt en gezien de aard van de belemmering mogelijk is. Deze extra verplichting wordt dan opgelegd op grond van artikel 55 van de PW.

 

Artikel 8: Ontheffing wegens lichamelijke of psychische belemmering

Medische problemen zijn niet per definitie een reden voor het verlenen van een ontheffing. Indien medische redenen worden aangegeven als belemmering en er zijn nog geen medische gegevens aanwezig in het dossier om dit te onderbouwen, dan wordt er een medisch of arbeidsdeskundig onderzoek gevraagd. Als de medische situatie al bekend is en er zijn geen wijzigingen in de situatie, dan kan de ontheffing worden verleend zonder aanvullend onderzoek.

 

Artikel 9: Ontheffing wegens intensieve zorgtaken

Over het algemeen zullen zorgtaken geen reden zijn om een ontheffing te verlenen. Een zorgtaak zal namelijk in de meeste gevallen gecombineerd kunnen worden met de arbeidsverplichting.

In specifieke gevallen kan een zorgtaak zoveel impact hebben op een belanghebbende, dat actieve inzet voor wat betreft de arbeidsverplichting niet van de persoon gevergd kan worden. Er kan dan sprake zijn van een dringende reden. Bij dringende redenen in deze context moet worden gedacht aan bijzondere zorgtaken. Vaak zijn het de kortdurende zorgtaken, die dienen ter overbrugging wanneer reguliere zorg nog niet geregeld is. Dit kunnen bijvoorbeeld de zorgtaken zijn voor één of meerdere ten laste komende kinderen, zoals een gehandicapt of langdurig ziek kind, waarvoor overdag (nog) geen opvangmogelijkheid is. Een ontheffing wegens zorgtaken is anders dan de ontheffing voor een alleenstaande ouder met een kind tot 5 jaar, zoals bedoeld in artikel 9a PW.

 

Artikel 10: Beoordeling volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid

Personen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, hoeven niet te worden ‘ontheven’ van de verplichtingen, aangezien zowel de arbeids- als de re-integratieverplichting vanuit de wet op hen niet van toepassing zijn.

Onder de groep ‘volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid’ vallen degenen die voldoen aan de criteria die de Wet werk en inkomen arbeidsongeschikten daaraan stelt. Dit is de enige groep voor wie dit geldt. De regering heeft hiertoe besloten om te voorkomen dat deze personen en de uitvoering belast moeten worden met een periodiek medisch onderzoek waarvan de uitkomst op voorhand vast staat, gegeven de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, moet gebeuren via een arbeidsdeskundig- dan wel medisch onderzoek. Als de medische situatie al bekend is, en hieruit is af te leiden dat iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, dan kan dit op basis van de reeds aanwezige gegevens worden vastgesteld. Een arbeidsdeskundig- dan wel een medisch onderzoek is dan niet meer nodig.

 

Artikel 11: Rekening houden met bepaalde zorgtaken

Bij de invulling van de arbeidsverplichtingen houdt het college rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie werk en zorg. Dit zal in de meeste gevallen betekenen dat, indien een voorziening wordt aangeboden, bekeken wordt of een belanghebbende deel kan nemen aan de voorziening en dat daarnaast nog voldoende ruimte bestaat voor de zorgtaken. Ook wordt de belanghebbende gewezen op de aanwezigheid van een flankerende voorziening. Daarbij kan worden gedacht aan kinderopvang. Overigens hoeft de gemeente niet perse zelf alle voorzieningen te organiseren, maar zij dient wel rekening te houden met het beschikbaar zijn hiervan.

Als de zorgtaken voldoen aan de definitie van mantelzorg, is dit naar oordeel van het college een verantwoorde invulling van maatschappelijke participatie. Dit kan naast de arbeidsverplichting bestaan en aangeboden voorzieningen worden hierop afgestemd.

 

Artikel 12: Ontheffing alleenstaande ouders

Waar een reguliere ouder de zorgtaken kan verdelen tussen zichzelf en hun partner, is dat moeilijker voor alleenstaande ouders. Daarom biedt het college alleenstaande ouders de mogelijkheid verzoek te doen ter ontheffing van de verplichtingen zoals bepaald in lid 1. De re-integratie- en scholingsverplichting blijven van kracht, omdat het inziens het college nog mogelijk is aan deze verplichtingen te voldoen met behulp van een flankerende voorziening zoals kinderopvang.

 

Artikel 13: Spreiding maatregel naar drie maanden (inkeerbepaling)

In de Verzamelverordening is de inkeerbepaling opgenomen. Omdat het doel van het opleggen van een verlaging is om een gedragsverandering teweeg te brengen, krijgt een belanghebbende door de inkeerbepaling de kans zijn gedrag te veranderen waarna de opgelegde verlaging ongedaan gemaakt kan worden

Het moet dus altijd gaan om een gedraging die nog hersteld kan worden (met andere woorden: waar inkeer nog van mogelijk is).

Dit artikel geeft aan op welke wijze de maatregel wordt gespreid.

 

Artikel 14: Maatregel van 100% halveren

Wanneer er sprake is van een maatregel van 100% gedurende 1 maand, heeft het gebruik maken van de inkeerbepaling de voorkeur. Maar als er sprake is van een gedraging waar herstel niet van mogelijk is, dan kan het college op basis van individuele omstandigheden besluiten de verlaging van 100% te halveren.

In het tweede lid is uitgewerkt in welke situaties het college van deze mogelijkheid tot halveren gebruikmaakt. Er zijn ook andere situaties denkbaar waarin het zeer gewenst is om de maatregel te halveren. Dit moet altijd individueel worden beoordeeld en goed worden gemotiveerd.

 

Artikel 15: Verzoek tot herzien indien deze 100% gedurende 2 maanden bedraagt

In beginsel duurt een maatregel van 100% nooit langer dan 1 maand. Tenzij er sprake is van recidive, dan wordt de duur van de maatregel verdubbelt. Dit betekent dat aan recidivisten een maatregel van 100% gedurende 2 maanden kan worden opgelegd. Wanneer dat het geval is, kan een belanghebbende aan het college verzoeken om een deel van de maatregel gedeeltelijk niet te effectueren. Een dergelijk verzoek moet schriftelijk en gemotiveerd worden gedaan. In het verzoek moet belanghebbende in ieder geval opnemen welke verplichting is geschonden (dus waarom een maatregel is opgelegd) en moet belanghebbende aantonen dat hij op het moment van indienen van het verzoek wél aan de verplichting voldoet. Het verzoek kan pas worden ingediend als de maatregel al is gestart, en vóórdat de maatregel volledig is geeffectueerd. Een dergelijk verzoek kan per besluit eenmaal worden gedaan. Worden er meerdere maatregelen per jaar van 100% gedurende 2 maanden opgelegd, dan kan belanghebbende tweemaal per jaar een dergelijk verzoek indienen. Het college zal op basis van een individuele beoordeling de afweging maken of de maatregel wel of niet gedeeltelijk wordt geeffectueerd.